zoeken binnen de website

Webrichtlijn ook voor private sector

Wolfgang Ebbers

door: Wolfgang Ebbers | 11 juni 2012

In 2007 publiceerden de VN een Convention for the rights of persons with a disability (UNCRPD), die inmiddels door Nederland en de Europese Commissie is ondertekend. Daarmee zeggen ze toe dat ze alles in het werk zullen stellen om bijvoorbeeld gebouwen, publieke ruimte, openbaar vervoer en ICT toegankelijk te maken. Brussel wil de UNCRPD vastleggen in een European Accessibility Act. Wie de (weliswaar) indicatieve roadmap van begin juni 2012 leest, zal even schrikken.

De ambitie is dat deze Act in september 2012 gepubliceerd wordt als een voorstel voor wetgeving. 1e ‘detail’: de exacte vorm is nog onbekend: welke reikwijdte zal de wetgeving hebben? 2e ‘detail’: ik ken de Brusselse ambtelijke mores onvoldoende, maar in de Nederlandse ambtenarij begint september over drie weken. Wat zouden de gevolgen zijn, bijvoorbeeld voor innovatie?

Voor deze vraag ben ik in gesprek gegaan met Thea van der Geest van de Universiteit Twente. Thea is gespecialiseerd in elektronische toegankelijkheidsvraagstukken. Ze werkte de afgelopen maanden in Spanje mee aan impactonderzoek voor de EC ter voorbereiding van die zogenaamde European Accessibility Act. Die dus ook de toegankelijkheid van ICT-diensten moet regelen. Daarnaast heeft ze vorig jaar voor het ministerie van EL&I een kosten-baten analyse gedaan naar de betekenis van de Nederlandse webrichtlijnen voor bedrijven en organisaties.

De Act zal wat betreft elektronische diensten waarschijnlijk zijn uitwerking krijgen in de verdere bekrachtiging van de standaard toegankelijkheidsregels, (WCAG 2.0) die deel uitmaken van de Nederlandse Webrichtlijnen. Bij een dwingend karakter van de Act zal deze standaard mogelijk ook gaan gelden voor bedrijven die cruciale ‘publieke’ diensten leveren zoals banken, verzekeringsmaatschappijen en telecombedrijven. Thea ziet een probleem in het zogenaamde werkingsgebied van de richtlijnen. Nu moet de hele website voldoen aan een standaardniveau om een toegankelijkheidscertificaat te krijgen: alles of niets.

In haar onderzoek bleek dat bedrijven onderscheid willen maken tussen kernfuncties en ‘leuke’ andere onderdelen. Bij webwinkels moet je bijvoorbeeld beslist het product kunnen zoeken en vinden, aanschaffen en betalen. Dat zou dus in elk geval toegankelijk moeten zijn, als je alle klanten wilt bedienen, ook die slechtziende oudere of die moeizaam lezende laaggeletterde. Sites worden nogal eens minder toegankelijk als er nieuwe onderdelen worden toegevoegd, die lang niet altijd rechtstreeks met de aankoop te maken hebben. Bijvoorbeeld een ‘retweet’ of een link naar een Youtube filmpje van een fanatieke consument. Daardoor voldoet de site niet meer en wordt volledig afgekeurd.

Naarmate de webrichtlijnen sterker verplicht worden, hou je dit soort innovaties tegen en dat geldt ook voor overheidswebsites. Omwille van innovatie zou je het functioneel toepassingsgebied van de webrichtlijnen eigenlijk moeten heroverwegen. Welke delen en doelen van een overheidswebsite moeten wel voldoen, welke niet?

Zo’n heroverweging hangt er op of de Act een verplichtend of vrijwillig karakter krijgt. Thea dacht tot voor kort dat het zo’n vaart niet zou lopen, maar bronnen in Brussel zeggen dat er op korte termijn een – dwingende – directive komt inzake web accessibility. Tot een verplichte ‘retrofit’ van bestaande websites zal het niet leiden. Maar voor nieuwbouw, al dan niet aanbesteed, is het dan opletten geblazen.

Meer weten? Zie de Cost and Benefit rapporten op de website van het Center for eGovernment Studies of neem contact op met T.M.vanderGeest@utwente.nl

Wolfgang Ebbers is principal advisor bij onderzoeksinstituut Novay

reacties: 3

tags: , , ,

  • Raph de Rooij (op persoonlijke titel) #

    19 juni 2012, 22:21

    Een aanpak die enkel is gebaseerd op het verlenen van een waarmerk na inspectie van een opgeleverde website lijkt me niet de juiste oplossing voor een vraagstuk. Voor de duidelijkheid: het is zeker geen ongeschikt middel, en al helemaal niet op dit moment.

    Maar het heeft wel een belangrijk nadeel: de ‘cost of change curve’ van Boehm. In gewoon Nederlands: als bij een inspectie tekortkomingen worden gevonden kunnen de herstelkosten aanzienlijk zijn, eenvoudigweg omdat er veel te veel tijd zit tussen het moment dat de tekortkoming is ontstaan en het moment dat-ie wordt ontdekt. Met de huidige manier van toetsen, de Waarmerk drempelvrij.nl inspectie, is een dergelijk probleem lastig te ondervangen.

    In toenemende mate doen organisaties tijdens de ontwikkeling van webprojecten ook zelf ervaring op met toegankelijkheid, en wordt in de ontwikkelfase al onderzocht of aan toegankelijkheidsregels wordt voldaan. Bij de huidige manier van inspecteren spelen dergelijke onderzoeksresultaten geen rol.

    We zouden naar mijn mening toe moeten groeien naar een systeem waarin het mogelijk is om bij de bepaling of aan de toegankelijkheisdoelstelling is voldaan gebruik te maken van de tests die gedurende de realisatie zijn uitgevoerd. Een belangrijke randvoorwaarde is wel dat bij webprojecten een veel hogere graad van ‘in control’ nodig is dan nu het geval is.

    De mate van ‘in control’ zijn kan onder meer worden afgemeten aan de genomen maatregelen en gehanteerde procedures. Een voorbeeld van het laatste is de wijze waarop tests worden uitgevoerd en hoe testresultaten worden vastgelegd: volledig, juist en op het juiste moment. Overigens geldt dit niet alleen voor een onderwerp als toegankelijkheid, maar ook voor andere onderwerpen die vanuit het perspectief van projectmanagement maar lastig te vangen zijn. Informatiebeveiliging, robuustheid (strandards compliance hoort daarbij) en duurzaamheid (archivering van digitale bescheiden) zijn enkele voorbeelden.

    Voor organisaties die voor hun hun webprojecten kunnen aantonen dat ze ‘in control’ zijn, is een eindinspectie mogelijk niet het meest geschikte middel. Er zal werk moeten worden gemaakt van een meer divers aanbod van toegankelijkheidsdienstverlening dan enkel gericht op productinspectie-met-bijbehorend-waarmerk. De praktijk van accountancy en IT-audits kunnen daarbij als voorbeeld dienen, want er is op dat punt veel kennis en ervaring voorhanden.

    Samengevat: ik ben geen voorstander van het verplicht stellen van de waarmerkregeling zoals we die nu in Nederland kennen. Voor het hier en nu is het weliswaar het meest geschikte middel, maar op de wat langere termijn zal het een blok aan het been worden, naarmate het proces van realisatie van webprojecten steeds beter wordt beheerst, en in dat proces in toenemende mate informatie wordt gegenereerd die bruikbaar is om vast te stellen of aan de toegankelijkheidsdoelstelling is voldaan.

    Een dergelijke aanpak voorkomt bovendien dat voldoen aan toegankelijkheidseisen als een project wordt gezien en overeenkomstig wordt uitgevoerd. Op die manier gebeurt het niet meer dat “een website minder toegankelijk wordt als er nieuwe onderdelen worden toegevoegd”, zoals Wolfgang Ebbers schrijft.

  • Raph de Rooij (op persoonlijke titel) #

    20 juni 2012, 00:04

    Helaas, ik kon niet laten om een tweede keer te reageren. Nu op de volgende alinea:
    “Naarmate de webrichtlijnen sterker verplicht worden, hou je dit soort innovaties tegen en dat geldt ook voor overheidswebsites. Omwille van innovatie zou je het functioneel toepassingsgebied van de webrichtlijnen eigenlijk moeten heroverwegen. Welke delen en doelen van een overheidswebsite moeten wel voldoen, welke niet?”

    Mijn ervaring is dat de Webrichtlijnen geen innovaties tegenhouden; integendeel. Overigens zijn de voorbeelden van innovaties die in het weblogartikel worden genoemd retweets en links naar YouTube-filmpjes. Dat zijn allebei geen innovaties. En bovendien zal een website op geen van beide worden afgekeurd. Maar ik denk dat ik desondanks begrijp wat je bedoelt ;-).

    Het probleem is niet de verplichting van de webrichtlijnen, maar het feit dat ‘voldoen’ in de praktijk 1-op-1 wordt vertaald naar het met goed gevolg afronden van een inspectie.

    De webrichtlijnen zijn geplaatst op de lijst van standaarden voor ‘pas-toe-of-leg-uit’. Volgens mij moet de oplossing niet worden gezocht in een aanpassing van het functioneel toepassingsgebied, maar in de manier waarop toezicht op de naleving en handhaving worden ingericht, in geval het tot regelgeving komt die ook sancties omvat.

    Het (laten) onderzoeken van een website op de mate waarin aan de richtlijnen wordt voldaan is en blijft van eminent belang, maar de uitkomst van dergelijk onderzoek zou niet allesbepalend mogen zijn of aan de beleidsdoelstelling is voldaan. Immers, wat heeft ‘pas-toe-of-leg-uit’ dan nog voor zin?

    De vraag over ‘welke delen en doelen’ komt aan bod in de evaluatiemethode (momenteel nog te vinden op ontwikkelversie.wrv2…) voor Webrichtlijnen versie 2. Daar komen zaken aan bod als ‘scopebepaling’, aanmelding van een ‘verzameling webpagina’s’, ‘foutmarge’ en ‘incidentele en structureel fouten’.
    Het antwoord op de vraag in de alinea is dus te vinden in de evaluatiemethode.

  • Thea van der Geest (Universiteit Twente) #

    2 juli 2012, 14:43

    Als ik de reacties van Raph de Rooij goed begrijp, zijn we het met elkaar eens over de grote waarde van Webrichtlijnen en toegankelijkheidsrichtlijnen enerzijds, maar ook over de beperkingen van dergelijke standaarden anderzijds, en daarnaast over hoe moeilijk het is om die standaarden doorgevoerd te krijgen.

    Als je in Nederland ziet hoe moeizaam gemeentes voldoen aan de eis van toegankelijke websites terwijl er wel allerlei bestuurlijke stimuleringsmaatregelen zijn getroffen, dan houd ik mijn hart vast als het gaat om eventuele uitbreiding van de regels naar de private sector op initatief van ‘Europa’. Tegelijkertijd vind ik het essentieel dat websites en applicaties toegankelijk zijn voor iedereen, nu zoveel publieke en private diensten en producten via het web verkrijgbaar zijn. Draagvlak bij leveranciers van publieke en private diensten voor het toepassen van de web accessibility-standaarden is een noodzakelijke voorwaarde voor invoering en uitvoering van toegankelijkheidsregels. Ik denk dat er geen draagvlak voor welke accessibility-maatregel dan ook zal zijn, als die overkomt als het zoveelste voorschrift uit Brussel.

    In Nederland is gekozen voor de strategie Pas-toe-of-leg-uit, om tegemoet te komen aan gevallen waarin toepassing van de standaarden leidt tot een als onredelijk ervaren regeldruk. Een mooi voorbeeld van polderen en gedogen, vind ik, blijkbaar in de hoop de compliance met een al lang bestaande maar slecht nageleefde regel te vergroten. In ‘Europa’ heb ik geen geluiden gehoord dat die ‘pas-toe-of-leg-uit’-logica een rol gaat spelen in de regelgeving. Ik heb verwijzingen gehoord naar de recente Website Accessibility Conformance Evaluation Methodology 1.0, waarin de Evaluation task force aangeeft dat er goed nagedacht moet worden over de scope van de conformance evaluatie. Met websites die honderden of duizenden pagina’s beslaan, moet er voor de evaluatie onvermijdelijk een steekproef worden getrokken, en de task force vindt een gerichte selectie (hele processen, relevante pagina’s) een beter idee dan een werkelijk willekeurige steekproeftrekking.

    Ik probeer mezelf er steeds aan te herinneren dat het aan de ene kant gaat om sites beter toegankelijk te maken voor diverse groepen mensen (het eigenlijk effect dat nagestreefd wordt met de regelgeving) en aan de andere kant het vaststellen of dat voldoende gedaan is, de conformance, bijvoorbeeld in de vorm van een certificaat voor de toegankelijke site. Om conformance op het gebied van toegankelijke websites te meten (en dus compliance??) is de EU op zoek naar een eenvoudige en eenduidige meetlat, en WCAG 2.0 moet in de praktijk die rol vervullen. De onderliggende principes van WCAG 2 zijn uitdrukkelijk geformuleerd vanuit het doel ‘beter toegankelijk en bruikbaar maken’, maar bij de uitwerking in ijkpunten zijn er een aantal verwijderd of naar een hoger compliance niveau verplaatst omdat ze lastig te meten zijn. In WCAG 1.0 was het ijkpunt ‘Use the clearest and simplest language appropriate for a site’s content’ een prioriteit 1 ijkpunt, in WCAG2 is die vervangen door een (beter meetbare, maar nog steeds lastige) verwijzing naar het leesmoeilijkheidsniveau van de tekst, een ijkpunt op AAA niveau, zeg maar prioriteit 3. En die ‘degradatie’ is niet gebeurd omdat men is gaan geloven dat begrijpelijke content niet zo’n hoge pritoriteit meer heeft.

    Het zal interessant zijn te zien of de toekomstige EU-wetgeving mikt op de geest van de wet (zorgen dat een breder scala van webgebruikers toegang krijgt tot meer diensten en producten), of blijft hangen bij de letter van de wet (de hele site moet voldoen aan specifieke, vooral technische richtlijnen waarvan het effect goed meetbaar is). Spannende tijden!

Reactieformulier

De met een * gemarkeerde velden zijn verplicht. U ziet eerst een voorbeeld en daarna kunt u uw bijdrage definitief plaatsen. Uw e-mailadres wordt niet op de site getoond. Reacties zonder achternaam worden verwijderd. Anoniem reageren alleen in uitzonderlijke gevallen in overleg met de redactie. U kunt bij de vormgeving van uw reactie gebruik maken van textile en er is beperkt gebruik van html mogelijk.