eerder verschenen nummers

zoeken binnen de website

Softwaremakers sterker bewapend?

door: Peter van Schelven | 24 november 2020

Al meer dan 50 jaar schrijven juristen in Nederland over de rechtsbescherming die aan de makers van software toekomt. Veel is daarom al duidelijk. Toch dienen zich bij tijd en wijle nieuwe ontwikkelingen aan. Onlangs oordeelde het Europese Hof in Luxemburg over de verhouding tussen een softwarelicentie en het auteursrecht.

Illustratie bij bijdrage Peter van Schelven


Wat was het geval? Het Franse softwarebedrijf IT Development SAS (ITD) stelde in 2010 aan Free Mobile, een Franse service provider voor draadloze diensten, de software ClickonSite tot gebruik ter beschikking. ClickonSite is software van hoge reputatie, bestemd voor centraal projectbeheer. Inmiddels wordt deze software door meer dan 10.000 professionals in de telecommunicatiesector gebruikt. Teams van Free Mobile en externe technische dienstverleners konden met de software de voortgang van de implementatie van alle antennes voor radiotelefonie in realtime organiseren en volgen.

JurisPrudent

Door de toenemende verkokering van ons rechtsstelsel sluiten wetten tegenwoordig zelden naadloos op elkaar aan. En daarmee zadelt nieuwe regelgeving de samenleving op met nieuwe, lastige onzekerheden. Peter van Schelven neemt in iBestuur magazine juridische dilemma’s onder de loep. Deze keer: de rechtspositie van softwareproducenten.

Tussen beide partijen was een licentie- en onderhoudscontract afgesloten. Op enig moment nadat partijen die contracten waren aangegaan, meende ITD dat Free Mobile de geldende licentievoorwaarden niet had gerespecteerd. De vermeende schending zou er, aldus ITD, uit hebben bestaan dat de duur van een proefperiode door Free Mobile was overschreden, er meer dan het maximum aantal toegestane gebruikers met de software werkten, de software op meer dan het aantal toegestane processoren draaide en bovendien de broncode van de software ongeautoriseerd was gewijzigd. Al met al een forse reeks verwijten. Het geschil escaleerde en werd vervolgens in twee instanties aan de Franse rechter voorgelegd. In hoger beroep kwam de rechter in Parijs er niet goed uit en wendde zich, op verzoek van ITD, daarom tot het Europese Hof om over een principiële voorvraag juridische duidelijkheid te verkrijgen. Daarmee werd om een zogeheten prejudiciële uitspraak gevraagd. Die stap resulteerde uiteindelijk op 18 december 2019 in een uitspraak van de hoogste Europese rechter.

Samenloop van claims?

In de kern komt die voorvraag waarover het Europese Hof zich moest buigen, erop neer of ITD alleen wegens wanprestatie – lees: wegens het niet naleven van de licentievoorwaarden uit het licentiecontract – jegens Free Mobile kan procederen. Of kan een schending van licentievoorwaarden eveneens een inbreuk op het auteursrecht die ITD op de software heeft, opleveren? De vraag is dus: is het voor ITD wel of niet mogelijk om op twee separate gronden – wanprestatie én auteursrechtelijke inbreuk – Free Mobile in de kraag te vatten? Dat juridische onderscheid blijkt in deze zaak onder meer van belang nu ITD de door haar geleden schade wegens auteursrechtelijke inbreuk had becijferd op ruim 1,4 miljoen euro, terwijl een schadeclaim die alleen op schending van het licentiecontract zou zijn gebaseerd niet verder zou komen dan 840.000 euro. Het belang van de kwestie zat ‘m dus goeddeels in de pecunia. Als je (naar Frans recht) zou aannemen dat een claim wegens wanprestatie rondom de licentievoorwaarden voorrang heeft op een claim wegens auteursrechtelijke inbreuk, dan zou ITD met een deel van haar schade blijven zitten.

Dus, hoe zit dat dan precies? Het Europese Hof heeft zich er klip en klaar over uitgesproken: een claim van de softwareproducent wegens schending van de licentievoorwaarden sluit niet uit dat diezelfde producent ook wegens inbreuk op zijn auteursrecht kan claimen. Daarmee staat de mogelijkheid van samenloop van schadeclaims dus vast. Het licentiecontract gaat dus niet voor op het auteursrecht, dat een belangrijke vorm van intellectuele eigendom is. Voor softwareproducenten is die welkome samenloop al met al zeer beschermend. Ik vind het oordeel van de Europese rechter juridisch juist. Hoe dan ook, de uitspraak draagt bij aan een hoog en homogeen niveau van rechtsbescherming voor software in de interne Europese markt.

Juridische wapens

De Europese rechter motiveert zijn oordeel met een beroep op een Europese richtlijn uit 2004, die van toepassing is op ‘elke inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten’. De crux zit ‘m in het woordje ‘elke’: daar vallen in de ogen van de rechter inbreuken binnen en buiten de context van licentiecontracten onder. Deze beslissing is niet alleen richtinggevend voor softwarezaken die aan de Franse rechter worden voorgelegd, maar aan welke andere rechter in de Europese Unie dan ook. Ook zaken die de Nederlandse rechter halen. Voordeel van die richtlijn voor softwareproducenten is dat zij aan de makers van software extra stevige juridische wapens geeft. De richtlijn uit 2004 verschaft een set handhavingsmiddelen die men in het gewone contractenrecht niet aantreft.     

Het Europese Hof beperkt zich in zijn uitspraak tot een deel van de verwijten die ITD aan het adres van Free Mobile heeft gemaakt. De rechter gaat alleen in op de vraag of Free Mobile de broncode van de software in strijd met de licentievoorwaarden heeft aangepast, met name door het creëren van nieuwe formulieren. Die wijzigingen zouden in de ogen van ITD substantieel zijn geweest en in strijd met het licentiecontract. Dat contract bevatte immers een clausule dat zegt dat het Free Mobile niet was toegestaan ‘de software te wijzigen, te corrigeren, aan te passen, dan wel direct of indirect secundaire of bijkomende werken te creëren…’. De Europese rechter gaat mee in dat standpunt van ITD.

Gebruiksbeperkingen

Wat betekent – algemeen gesproken – de uitspraak voor de rechtspositie van softwareproducenten? Het verbod de broncode te wijzigen was in de kwestie tussen ITD en Free Mobile een duidelijke contractuele gebruiksbeperking. Heel veel licentievoorwaarden bevatten in de praktijk ook andere gebruiksbeperkingen. Die kunnen bijvoorbeeld het aantal ‘concurrent users’ van de software betreffen, het verbod om de software aan bepaalde andere softwareplatforms te linken of beperkingen ten aanzien van de kring van gebruikers. De praktijk van alledag kent een schier onuitputtelijke reeks van contractuele grenzen aan de inzetbaarheid van software. Het ligt voor de hand dat het oordeel van het Europese Hof ook kan worden toegepast als dergelijke andere gebruiksbeperkingen niet worden gerespecteerd. Daarmee heeft het Europese Hof de sterke rechtspositie van softwareproducenten in Europa nog eens stevig onderstreept.

Dit artikel staat ook in iBestuur magazine 36

reacties: 1

tags: , , ,

  • Mathieu Paapst (Rijksuniversiteit Groningen) #

    26 november 2020, 13:28

    Interessante uitspraak. Voor open source licenties hielden we dit uitgangspunt natuurlijk al veel langer aan, vooral omdat die contractueel gezien op een iets andere wijze tussen partijen afgesloten worden. Ben je als afnemer niet akkoord met een voorwaarde uit een open source licentie, of respecteer je een onderdeel daaruit niet (zoals bijvoorbeeld naamsvermelding, of het beschikbaar stellen van de broncode), dan maak je ook in het geval van open source inbreuk op het auteursrecht van de auteursrechthebbenden.

Reactieformulier

De met een * gemarkeerde velden zijn verplicht. U ziet eerst een voorbeeld en daarna kunt u uw bijdrage definitief plaatsen. Uw e-mailadres wordt niet op de site getoond. Reacties zonder achternaam worden verwijderd. Anoniem reageren alleen in uitzonderlijke gevallen in overleg met de redactie. U kunt bij de vormgeving van uw reactie gebruik maken van textile en er is beperkt gebruik van html mogelijk.