zoeken binnen de website

'Meer Haagse regie helpt zaken sneller te realiseren'

door: Martin Hendriksma | 1 oktober 2020

Gemeenten maken zich zorgen over de invoeringskosten van de Omgevingswet en een hausse aan gerechtelijke procedures als de wet straks is ingevoerd. Minister Kajsa Ollongren (Binnenlandse Zaken) reageert op deze en andere actuele kwesties.

Kasja Ollongren

Beeld: Arenda Oomen

Vlak voor de zomer werd de Aanvullings­regeling geluid gepresenteerd. Door de ­luchtvaart zwaarder mee te wegen, vallen geplande nieuwbouwlocaties in de noordelijke Randstad af. Noord-Hollands gedeputeerde Jeroen Olthof wacht nog altijd op uw antwoord op zijn brandbrief.

“We zijn volop bezig erover na te denken. Het is natuurlijk een heel relevant punt: hoe we omgaan met geluidshinder in combinatie met woningbouw. Wanneer je het ene meetsysteem verruilt voor het andere is het uitgangspunt dat je dat beleidsneutraal doet. Je kunt tegelijk het systeem aanpassen, maar dan gaat het niet langer om een beleidsneutrale omzetting, maar om een wetswijziging. We hebben net de hele discussie bij natuur over stikstof gehad. Daar hebben we een modus in gevonden. Ik ben ervan overtuigd dat het ook gaat lukken bij geluid. Er ligt rond Schiphol een grote nieuwbouwopgave, maar er zijn manieren om geluidsadaptief te bouwen. Zo kun je het ene wel degelijk met het andere combineren.”

Op welke termijn kunnen Olthof en andere getroffen gemeenten een antwoord tegemoet zien? Weken, maanden?

“Nou, maanden zeker niet. Het hoeft niet zolang te duren, wat mij betreft.”

Uit een evaluatie van de voorloper van de Omgevingswet, de Crisis– en Herstelwet, blijkt dat gemeenten zich vanwege de flexibeler normen zorgen maken over een hausse aan gerechtelijke procedures. Hoe kijkt u daarnaar?

“Je moet overal rekening mee houden en het staat iedereen vrij om naar de rechter te stappen. Maar waarom hebben we jarenlang zo veel tijd en effort gestoken in die Omgevingswet? Omdat we denken dat het nieuwe ­stelsel transparanter, inzichtelijker en gebruiksvriendelijker is. Je zult nu maar ergens een vergunning voor moeten aanvragen: je verzandt in een brij van regelgeving. We creëren iets wat de boel versimpelt voor de gebruiker. Dus ja, het is een andere benadering. Het zal hier en daar tot vragen en opmerkingen leiden, en ook tot juridische procedures. Dat is geen reden de wet niet te willen. Ik zie de integraliteit als een enorm winstpunt.”

Toch vrezen gemeenten straks meer kwijt te zijn aan juridische kosten. Ook vallen de leges als inkomstenbron weg. Er gaan al geluiden op dat de Omgevingswet net zo’n financieel debacle kan worden als de decentralisaties in het sociaal domein.

“Om te beginnen vind ik de Omgevingswet geen decentralisatie. Het is echt iets anders. Dit is een structuurverandering: een andere, integrale manier van het in elkaar zetten van alle opgaven die we hebben in de ruimtelijke omgeving. Dat is geen decentralisatie, maar een samenspel tussen centraal en decentraal. Daar hebben we in financiële zin in goed overleg afspraken over gemaakt: wie staat voor wat? Als ministerie pakken wij een groot deel van deze fase. Daarna krijg je decentraal natuurlijk uitwerkingskosten. Maar als er bij gemeenten knelpunten ontstaan, dan zetten we die op de agenda.”

De kritiek is dat de eerste financiële evaluatie pas een jaar na invoering van de wet plaatsvindt. Gemeenten vrezen dat het leed dan al is geschied.

“We houden voortdurend de vinger aan de pols en maken een compleet financieel beeld van deze stelselherziening. Je moet daarbij als ministerie wel een beetje adaptief zijn: als er nieuwe inzichten zijn, dan moet je daar ook mee dealen.”

Bij alle ruimtelijke opgaven die ons land staat te wachten, klinkt een steeds luidere roep om regie van het rijk. Sluit die behoefte wel aan bij de bottom-upfilosofie van de Omgevingswet?

“Ik denk dat die twee goed hand in hand ­kunnen gaan. In de pas gepresenteerde Nationale Omgevingsvisie zie je dat ook: een samenspel van verschillende overheden en tegelijk meer regie. Kijk, we hebben jarenlang vanuit Den Haag nauwelijks aan de ­ruimtelijke ordening gedaan. Onder het motto: daar gaan we niet over. Nu zien we dat er vanuit gemeenten en provincies behoefte is aan meer sturing, zonder dat Den Haag alles naar zich toe moet trekken. We willen aan de voorkant van de besluitvorming de overwegingen met elkaar delen. Guidance meegeven aan de mede-overheden. Dat kan soms best specifiek zijn, bijvoorbeeld over de plaatsing van zonnepanelen. Als je die echt wilt bevorderen, dan kun je niet zeggen: het is iedere gemeente voor zich. Dan legt de ene gemeente al z’n weilanden ermee vol, terwijl een andere gemeente elk dak bestudeert. Nee, dan moet je samen een uitgangspunt kiezen. Zo zijn er meer voorbeelden waar je meer regie kunt voeren en tegelijkertijd recht doet aan de ­regionale verschillen. De kust heeft een ­andere benadering nodig dan Limburg.”

Zoals Oost-Nederland nu als eerste landsdeel zijn uitvoeringsagenda heeft?

“Precies. Zo voeren we er met elk landsdeel overleg over. Het ene is wat verder dan het andere. Dat is goed. Je moet van elkaar ­kunnen leren. En in de NOVI komt alles bij ­elkaar. Dat is het houvast voor de regionale uitwerking.”

Klinkt mooi, die samenwerking. Maar het leidt makkelijk tot stroperige processen waarin ­niemand het voortouw neemt. Er zijn ­ruimtelijke experts die graag een minister van Binnenlandse Zaken met meer ­doorzettingsmacht zouden zien.

“Hahaha. De meeste mensen die pleiten voor meer doorzettingsmacht, die bedoelen eigenlijk dat je meer wettelijke instrumenten moet hebben om doorzettingsmacht in juridische zin af te dwingen. Dat is soms best lastig voor een minister van BZK. Je hebt allerlei doelen, maar je gaat er niet altijd over. Ooit hebben we in het openbaar bestuur de doctrine gehad: je gaat erover of niet. En als je er niet over ging, moest je je er ook niet mee bemoeien. Die aanpak werkt niet meer. Zeker in het ruimtelijk domein heb je alle partijen hard nodig, zowel overheden als private organisaties. Wel zie ik steeds meer in dat regie vanuit Den Haag kan helpen om zaken sneller te realiseren. Dat ben ik bij de woningbouwopgave ook aan het doen. Door te helpen, maar soms ook te zeggen: luister, we hebben nu deze aantallen nodig en daarbinnen moeten jullie in elk geval dat deel voor je rekening ­nemen. Ik denk dat we daar het afgelopen half jaar een flinke stap in hebben gezet. En daar ga ik nu wel mee door, ja.”

We gaan uw vuisten vaker zien?

“Ik doe dat door te overreden en uiteindelijk toch samen op te trekken. Ik heb mijn vuisten gelukkig zelden hoeven in te zetten.”

Dit artikel verscheen eerder op de website van Binnenlands Bestuur.

tags: ,

Reactieformulier

De met een * gemarkeerde velden zijn verplicht. U ziet eerst een voorbeeld en daarna kunt u uw bijdrage definitief plaatsen. Uw e-mailadres wordt niet op de site getoond. Reacties zonder achternaam worden verwijderd. Anoniem reageren alleen in uitzonderlijke gevallen in overleg met de redactie. U kunt bij de vormgeving van uw reactie gebruik maken van textile en er is beperkt gebruik van html mogelijk.