zoeken binnen de website

Lijdensdruk én zelfinzicht

door: Marc van Opijnen | | 2 juli 2020

Marc van Opijnen

Op deze plaats schrijf ik meestal over zaken op het grensvlak van recht en techniek, maar vandaag wil ik belangrijker zaken bespreken.

Het zijn onrustige tijden, in het bijzonder voor de oude witte man. Dat een mondige, jonge generatie haar plekje opeist is van alle tijden, maar nieuw is dat die verse generatie niet meer alleen uit jonge witte mannen bestaat. Voor wie het nog niet wist: ook ik ben een oude witte man, en gezien de personeelssamenstelling van de hogere echelons bij de overheid (s)preek ik hier dus voor eigen parochie.

Dat de door ons, witte mannen, gedomineerde samenleving op zijn einde loopt, is duidelijk. De vraag is alleen: wordt dat een bloederige revolutie met louter verliezers, of verloopt de verandering in goede harmonie? Bij voorkeur natuurlijk dat laatste, maar dat moet wel een beetje gezwind, want er is zichtbaar maatschappelijk ongeduld. En het is mijn stellige overtuiging dat dit alleen gaat lukken als wij tijdig tot zelfinzicht komen.

Op basis van zijn analysehandboek DSM-5 zou een psychiater ons, witte mannen, waarschijnlijk diagnosticeren als ‘narcistisch’: wij achten onszelf superieur en verheven boven ‘de anderen’, hebben onszelf dankzij soortgenoten in de beste posities gemanoeuvreerd en vinden het vanzelfsprekend dat die anderen naar onze pijpen dansen. Een beetje diversiteit (in de vorm van een excuus-Truus en een troetel-Turk) kunnen we nog wel dulden, zolang wij de scepter maar blijven zwaaien.

Narcisme is evenwel een ernstige persoonlijkheidsstoornis met een destructieve uitwerking op patiënt en zijn omgeving. Omdat de narcist geen lijdensdruk ervaart, is zijn stoornis moeilijk te behandelen. Argumenten dringen niet tot hem door, hij is immers slimmer en machtiger dan zijn opponenten. Dat lijken #metoo en Black lives matter nu te begrijpen: er zijn stenen nodig om de spiegel van zelfgenoegzame ijdeltuiterij aan gruzelementen te slaan, zodat de witte man de scherven alleen nog kan gebruiken voor kritische zelfreflectie.

Ik geef het onmiddellijk toe: ook ik ben niet zonder zonde. Nog regelmatig krijg ik een steen naar m’n hoofd, en ik ben er blij mee. Het helpt om ingesleten denkbeelden en gedragspatronen te onderzoeken en te veranderen. Het kan verhelderend en zelfs louterend werken. Over de ‘man’ een volgende keer meer, nu beperk ik mij even tot de witheid.

Dat er nogal wat schort aan onze kennis over ons eigen ‘slavernijverleden’, is inmiddels algemeen bekend. Zoals de meesten van mijn leeftijd zat ik op een school met louter witte kinderen waar we de ‘Negerhut van Oom Tom’ lazen, waar we leerden dat er in het verre Suriname ooit suikerriet, koffie en cacao werden verbouwd, dat we daarbij werden geholpen door mensen die we uit Afrika hadden gehaald en waar eind november Zwarte Piet pepernoten strooiend ten tonele verscheen. Toen ik als kind eens, met mijn moeder wandelend in een winkelstraat van ons witte provinciestadje een donkergetinte man ontwaarde, begroette ik hem enthousiast als Zwarte Piet. Door mijn moeder werd ik onmiddellijk terechtgewezen. Ik realiseerde me toen direct dat het verschijnsel ‘Zwarte Piet’ helemaal fout was, maar in het Nederland van toen was ‘Zwarte Piet gewoon zwart’, en later had ik een steen tegen m’n hoofd nodig om me eraan te herinneren dat dat helemaal niet ‘gewoon’ is. Ons Zwartepietenstandpunt lijkt nu eindelijk wat te gaan schuiven, maar we kunnen ons afvragen of dat om de goede redenen gebeurt. Want het veelgehoorde argument ‘omdat dit bij sommige mensen pijn veroorzaakt’ deugt niet. Het geeft de witte man (v/m) immers de kans om de schuld van een mogelijk Zwartepietenverbod te leggen bij de lange tenen van mensen die hem zijn tradities willen afnemen. Zwarte Piet moet niet (alleen) weg omdat hij kwetsend is voor andere mensen, hij moet weg omdat hij een beschamende vertoning is, mede in het licht van ons eigen gruwelijke verleden.

Ik heb het woord ‘slavernijverleden’ in de vorige alinea tussen aanhalingstekens geplaatst, omdat dit woord ons de valse illusie geeft dat wij lang geleden een definitieve punt hebben gezet achter een periode van slavernij: in 1863 – de juridische afschaffing van de slavernij – of zo u wilt in 1873, toen er ook een einde kwam aan het ‘Staatstoezicht’ onder welk mom de slavernij nog tien jaar werd voortgezet. We vergeten daarbij vaak – uit onwetendheid of voor onze eigen gemoedsrust – dat de ellende toen nog lang niet voorbij was: tot diep, diep in de twintigste eeuw lokten wij ‘contractarbeiders’ uit alle hoeken van de wereld onder valse voorwendselen naar Suriname om ze daar op misdadige wijze uit te buiten. Het verschil met de slavernij van daarvoor was vaak niet zo heel erg groot. En dat Nederlanders gedurende al die eeuwen internationaal de naam hadden qua wreedheid andere Europese kolonisators met straatlengte te verslaan, zou ons moeten vervullen met diepe schaamte.

Het valt niet mee om over deze donkere periode objectieve kennis te vergaren, want net als standbeelden worden geschiedenisboeken geproduceerd door hen die aan het langste eind trokken.

In de geschiedschrijving zijn er vanuit het ándere perspectief maar weinig bronnen; mensen werden immers niet tot slaaf gemaakt om hun lotgevallen aan het papier toe te vertrouwen. Maar we komen een heel eind met Anton de Kom, die onlangs zijn verdiende plek in de Nederlandse canon kreeg. Zijn boek ‘Wij slaven van Suriname’ – historisch uitstekend gedocumenteerd en geschreven in meeslepende en erudiete stijl – ontleedt vlijmscherp drie eeuwen slavernij en koloniaal bewind. De manier waarop de Surinamers erin zijn geslaagd om op die erfenis een vreedzame en inclusieve samenleving te bouwen, verdient onze grote bewondering – want wij zijn er zelf niet toe in staat. Maar toen dit onze witte opperman van Buitenlandse Zaken werd voorgehouden, nadat hij zelf de stelling had geponeerd dat geslaagde multiculturele samenlevingen niet bestaan, wist hij niet anders te reageren dan met de constatering dat Suriname een failed state is. Het was de oude witte man ten voeten uit: hij ontkende de rol die zijn voorvaderen hebben gespeeld in het creëren van dat multicultureel Suriname, hij onthield de Surinamers waardering voor hun pluralistische samenleving, hij verwarde ‘samenleving’ met ‘staat’, miskende de portée van het begrip failed state en vergat als witte man en passant ook nog dat op het moment dat hij deze gotspe debiteerde de drie zwarte vrouwen van de Krijgsraad onder uitermate moeilijke omstandigheden de rechtsstaat in Suriname overeind hielden.

Anton de Kom legt ook haarscherp bloot wat eeuwenlange onderdrukking en vernedering doet met een bevolkingsgroep: “Geen volk kan tot volle wasdom komen, dat erfelijk met een minderwaardigheidsgevoel belast blijft.” Vervang het woord ‘minderwaardigheidsgevoel’ door ‘meerderwaardigheidsgevoel’ en we kunnen begrijpen waarom er alleen iets zal veranderen als wit Nederland bereid is zijn eigen rol in de geschiedenis kritisch te beschouwen. Het formeel afschaffen van de slavernij was niet genoeg, het opnemen van het gelijkheidsbeginsel in artikel 1 van de Grondwet evenmin. Om institutioneel racisme te bestrijden zijn anoniem solliciteren, quota en weer een onderzoekscommissie naar vooringenomenheid bij de Belastingdienst gewoonweg niet genoeg. Er kan alleen iets veranderen als óók de witte man naar zichzelf gaat kijken, als individu, als groep, en als de historische spelverdeler van Nederland.

We kunnen daartoe in de leer bij onze Oosterburen. Want een van de meest indrukwekkende prestaties van het Duitsland van na de Tweede Wereldoorlog was, naast het Wirtschaftswunder, het vermogen om zeer diepgravend en kritisch de eigen rol in de geschiedenis van Europa te onderzoeken. Kennelijk had het extreem narcistische Duitsland een totale verwoesting nodig om lijdensdruk te gaan ervaren, om te gaan reflecteren op zichzelf en uiteindelijk tot zelfinzicht te komen. Het is een proces dat decennia heeft geduurd.

Ook bij onze Zuiderburen – al heel lang in de ontkenning over wat zij in Congo hebben aangericht – is inmiddels het besef doorgedrongen dat open en kritische reflectie op wat er in het verleden is gebeurd, essentieel is voor begrip van het heden en verandering in de nabije toekomst.

In Nederland houden we het deksel liever nog even op de beerput. Merkwaardig, want over de Tweede Wereldoorlog bijvoorbeeld verschijnen nog steeds tal van studies. U zult me daar niet tegen horen protesteren, maar het is kennelijk makkelijker schrijven over je wederwaardigheden als slachtoffer dan als agressor. Waarom durven we wel de fiets van oma terug te vragen aan de nazaten van de Duitse bezetter, maar durven we geen excuses aan te bieden aan de nazaten van door ons tot slaaf gemaakten? Waarom wordt al decennialang elk initiatief tot kritische zelfreflectie aangaande ons koloniaal verleden – van slavenhandel tot politionele acties – onmiddellijk in de kiem gesmoord? Waarom laten we de standbeelden van slavenhandelaars en onderdrukkers staan en herschrijven we onze geschiedenisboeken niet? Waarom hebben we die toeslagenaffaire, lijkt het uitschelden van kinderen voor ‘Zwarte Piet’ niet onder de anti-pestprotocollen te vallen en vinden we dat geboren Nederlanders met een niet-witte huidskleur zich maar moeten ‘invechten’?

Het repareren van hedendaagse misstanden kan geen uitstel gedogen, maar zonder nationaal debat over het verleden leggen we geen solide basis voor de toekomst. Lijdensdruk hebben we nodig én kritisch en diepgravend zelfonderzoek.

Marc van Opijnen is adviseur rechtsinformatica bij het Kennis- en exploitatiecentrum Officiële Overheidspublicaties (BZK/UBR/KOOP).

tags:

Reactieformulier

De met een * gemarkeerde velden zijn verplicht. U ziet eerst een voorbeeld en daarna kunt u uw bijdrage definitief plaatsen. Uw e-mailadres wordt niet op de site getoond. Reacties zonder achternaam worden verwijderd. Anoniem reageren alleen in uitzonderlijke gevallen in overleg met de redactie. U kunt bij de vormgeving van uw reactie gebruik maken van textile en er is beperkt gebruik van html mogelijk.