zoeken binnen de website

Onze virtuele Betuwelijn

Dirk-Jan de Bruijn

door: Dirk-Jan de Bruijn | 26 juni 2014

Binnen onze overheid is een aantal dingen écht goed georganiseerd. Zoals de borging van de financiële functie. Kijk maar eens naar de dominante rol van het ministerie van Financiën. En de vertaalslag daarvan naar de verankering van de f-functie tot werkelijk in alle kieren van het publieke domein.

Met een CFO, een directeur FEZ, een controller en afdelingen als financiële planning en toezicht. Opdat er in de ‘plek der moeite’ – zoals de bestuursraad of het hoogste managementgremium ook wel wordt genoemd – frequent over dit onderwerp wordt gesproken. En waarbij alle leden van die gremia ook kunnen lezen en schrijven met cijfers: ze kunnen er als het ware mee ‘spelen’.

Daarnaast hebben we tal van issues op gebied van infrastructuur goed geregeld. Met een ministerie dat daarvan is en onder meer een goed geoliede Rijkswaterstaat-machine. Waarbij de gebruiker van de infrastructuur (weg, water en spoor) inmiddels een dominante rol vervult. Vanuit de centrale gedachte dat het gaat om mobiliteit. Maar waarbij ook kosten nog moeite worden gespaard: kijk maar eens naar recente infra-werken als Betuwelijn (€4,7 miljard) of HSL (€8 miljard). Waarbij middels budgetfinanciering fors is geïnvesteerd aan de publieke zijde om daarmee aan de private kant business en reuring te genereren. Gewoon heel huiselijk: ter stimulering van onze diensteconomie!

Tot zover het goede nieuws. Want hoe anders hebben we de ‘informatie’- functie georganiseerd. Terwijl iedereen weet dat er in een organisatie twee cruciale grondstoffen zijn voor een succesvolle tent: de f- en de i-functie. Die dus niet alleen op het allerhoogste niveau geborgd moeten zijn, maar die ook tot in de catacomben en de haarvaten voelbaar moeten zijn. Waarbij ze beiden – volstrekt gelijkwaardig – bij alle besluiten een dominante rol moeten vervullen.

Want wat laat een snelle rondgang door het Haagse zien? Er bestaat geen ministerie van informatie. Dat hebben we versnipperd georganiseerd over drie ministers: EZ (ondernemers), BZK (burgers) en WenR (bedrijfsvoering). De CIO is – ondanks aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer – op enkele uitzonderingen na nog steeds geen lid van het hoogste managementgremium. Waarmee informatievoorziening nog teveel wordt gepositioneerd als ‘iets’ van bedrijfsvoerders en techneuten.

En tot slot: de discussie over de financiering van de virtuele infrastructuur wordt gedomineerd door zaken als micromanagement, een benadering vanuit kosten én toepassing van het profijtbeginsel. Waarbij we denken dat door lang te blijven studeren de business case op organisatieniveau toch sluitend te krijgen is. Terwijl digitaliseringstrajecten overwegend gekenmerkt worden doordat investeringen en baten niet op dezelfde plek vallen – behoudens winstpakkers als vermindering van apparaat- of beheerskosten. Op zich ook niet zo vreemd: digitalisering beperkt zich immers niet tot de traditionele organisatie-, financierings- of aansturingsgrenzen. Zoals we die bijvoorbeeld binnen de overheid kennen: tussen Rijk, ZBO’s en gemeentes. Want het gaat daarbij niet meer om diegene die het aanbiedt, maar om de uiteindelijke vrager. De gebruiker. En laat die nou nét anders handelen. Die is immers geïnteresseerd in de waarde die wordt gecreëerd! En technisch kan dat.

Wonderlijk dat er bij de organisatie van onze infrastructuur zo’n onderscheid wordt gemaakt tussen fysiek en virtueel. Blijkbaar zijn we er dus als ICT-ers onvoldoende in geslaagd om helder te maken dat voor de toekomst van ons land niet alleen een fysieke maar ook een virtuele infrastructuur absoluut essentieel is. Zeker voor een land dat zich positioneert als kennisintensief met een economie die wordt gedomineerd door dienstverlening. Onderstreept dus om dit vraagstuk te tillen naar het niveau waar het thuishoort: op niveau van de ‘BV Nederland’. Macroniveau dus. En dan niet door de bril van de boekhouder (kosten), maar vanuit het gezichtspunt als ondernemer (investeringen). Gericht op te verzilveren kansen. Waarbij het – net als bij de fysieke infrastructuur – heel normaal is dat je aan publieke kant investeert om er zo aan private kant baten mee te genereren. Want daar waren we toch van als overheid? Gelukkig dat onze Nationale Commissaris Digitale Overheid binnenkort operationeel is!

Dirk-Jan de Bruijn is actief als kwartiermaker in het publieke domein

reacties: 7

tags: ,

  • Roeland Loggen, Capgemini #

    2 juli 2014, 21:33

    Goed punt Dirk-Jan,

    Wat dat betreft kijk ik ook met bewondering naar Engeland, waar er onder centrale aansturing prachtige eDienstverlening wordt ingeregeld voor, stap voor stap, alle overheidsinstellingen op gov.uk.
    De Government Digital Service is die centrale aansturing, zie gds.blog.gov.uk/.. En ze werken met moderne agile aanpakken, leveren frequent nieuwe services en luisteren hierbij enorm goed naar burgers en hun customer journeys.

    Vergelijk dat met NL, waar de focus op infra ligt, en per uitvoeringsorganisatie en ministerie diverse wielen worden heruitgevonden, primair inside out.

  • Jan van Til #

    3 juli 2014, 19:55

    Ja, graag mee eens: “hoe anders hebben we de ‘informatie’-functie georganiseerd.” Inderdaad, héél anders!

    Al sinds jaar en dag gaat trekt de ICT m.i. onevenwichtig veel aandacht. Fascinerende spiegeltje en kraaltjes van over elkaar heen buitelende technologie. En dat leidt enorm af, want informatie – mind you: dàt is het ‘goedje’ waar het ons mensen om draait – raakt bij al dat techno-tromgeroffel vrijwel ‘automatisch’ buiten beeld. Gevolg ervan is dat het we-zen-lij-ke van informatie bij velen niet of nauwelijks op het netvlies terecht. Het lijkt allemaal exclusief te (blijven) draaien om steeds geavanceerder technologie en de immense vooruitgang die we ermee denken te bereiken.

    In zo’n lawaaierige techno-setting is het niet zo heel verwonderlijk dat onze kennis m.b.t. de aard van informatie nog wat in de kinderschoenen staat.
    Is het ook niet zo heel verwonderlijk dat elke organisatie nog altijd z’n uiterste best doet om zelf de eigen informatie-broek stevig op te houden. Een broek die voor elke individuele broekdrager steeds groter, zwaarder en daarmee ondraaglijker wordt.
    Is het verder ook helemaal niet zo heel verwonderlijk dat “virtuele infrastructuur” niet van de grond komt; daarvoor moet je immers een heel stuk verder (willen) kijken dan de eigen broek. De noodzaak tot die wijdere blik groeit snel, want informatie heeft inmiddels – ja, klopt, uitgerekend dankzij digitale technologie – veel trekjes van de wind gekregen en waait met de snelheid van het licht gewoon van hoge naar lage druk. Mank gaat de wind-metafoor echter al weer snel: want informatie ‘zit’, voor je er erg in hebt overal; in ieders broek – zeg dus ook maar.
    Het is niet zo heel verwonderlijk dat informatie ons als kool boven het hoofd groeit. Want informatie ‘werkt’ niet als goederen die òf hier òf daar zijn; bij informatie is het èn-èn-èn-èn-èn-èn….
    En het is ook niet zo verwonderlijk dat we ons niet of nauwelijks realiseren dat het bij informatie feitelijk steeds om de betékenis ervan gaat; betekenis-tot-actie; betekenis die zich níet in een hokje laat stoppen, maar, naar de aard van informatie, doodgewoon met de verschillende situaties mee kleurt – en dat laatste staat volstrekt haaks op hetgeen met name ICT-ers al sinds jaar en dag kwistig rondbazuinen!

    En de vraag is wanneer we stoppen met het verstellen en verstevigen van onze hoe dan ook bezwijkende broeken. De vraag is wanneer we in gaan zien dat virtuele infrastructuur een door en door praktisch antwoord is, een antwoord dat ieder van ons voordeel oplevert – analoog aan onze enkelvoudig uitgevoerde verkeersinfrastructuur die ieder van ons individueel (megavoudig dus) dag in dag uit zulke uitstekende diensten bewijst. De vraag is wanneer we zover zijn dat we onszelf wensen te zien als deelnemer aan informatieverkeer – analoog aan onze participatie in het fysieke verkeer.

    Dus ja, zeker, die ene enkelvoudige, virtuele infrastructuur dient “op het allerhoogste niveau geborgd” te zijn. En de heartbeat ervan dient tegelijkertijd tot in de veelheid aan individuele “haarvaten” van de samenleving (burgers, bedrijven en overheden) voelbaar te zijn. Dan klòpt het, dan lééft het! Virtuele infrastructuur is dan net zo vanzelfsprekend en ingeburgerd als fysieke infrastructuur dat al zoveel decennia is.

    Nee, het is m.i. niet zo “dat er bij de organisatie van onze infrastructuur zo’n onderscheid wordt gemaakt tussen fysiek en virtueel.” Nee, er bestaat zelfs nog helemaal geen virtuele infrastructuur!! Vervelend om aan te stippen, maar ook de, wat we noemen basisregistraties, zijn vergaand vanuit en binnen een enkele, eigen (overheids)broek opgezet; reden ook waarom (gecombineerde) toepassing ervan bij/binnen overheid, bedrijfsleven en burgers zoveel gedoe oplevert. Wat in de ene broek prima past, past mogelijk ook aardig in paar andere – maar daar houdt het dan toch echt op! Nee, zoiets mag geen virtuele infrastructuur heten. Laten we elkaar niet voor de gek houden.

    En het is maar de vraag of het inmiddels pijnlijke gemis aan virtuele infrastructuur ICT-ers serieus kan worden aangewreven. Het is m.i. veel aannemelijker – vruchtbaarder in ieder geval – dat samen met het rijpende inzicht dat virtuele infrastructuur “absoluut essentieel” is, ook het inzicht rijpt dat voor het ontwerpen ervan een ander slag volk, laten we zeggen civiel informatiekundigen, “absoluut essentieel” zijn. Dat zijn vaklui die ervan doordrongen zijn dat er in beginsel helemaal geen broek is! Er zijn ‘slechts’ verkeersdeelnemers in allerhande soorten en maten (vgl. wandelaars, fietsers, automobilisten, vrachtwagenchauffeurs, kapiteins, gezagvoerders enzovoort). En zij allemaal moeten – elk naar eigen aard – bediend worden met informatie. Dat vergt een kijk op informatie die het oude individuele broek-denken ver overstijgt. Wat mij betreft: ja, graag – op naar virtuele infrastructuur! Er moet nog een hoop voor gebeuren!

  • Marleen Olde Hartmann #

    4 juli 2014, 15:42

    Er is steeds minder verschil tussen virtueel en reeel; beiden zijn realistisch en noodzakelijk voor een goede bedrijfsvoering. Ik zou niet zo naar de UK kijken, behalve om te leren van de voorloper fouten. Ik vind wel dat we als Nederland behoorlijk achter de feiten aanlopen en er veel moet gebeuren. En dat terwijl we zoveel goede informatie architecten hebben die na kunnen denken hoe de relatie tussen beide terreinen moet worden georganiseerd waar het de informatie infrastructuur betreft.

  • Dirk-Jan de Bruijn #

    4 juli 2014, 16:53

    Dank voor alle reacties: bruikbare suggesties. Snijdt hout! Onderwerp leeft dus blijkbaar. Heel goed. Er is immers veel werk aan de winkel.

    Goede groet Dirk-Jan

  • Jan van Til #

    5 juli 2014, 19:55

    Dirk-Jan,

    Een kwartiermaker is volgens de Van Dale een voorloper, een militair, een strijder die vooruit wordt gezonden om voor onderdak te zorgen. De vraag dringt zich dan ook op wat jouw volgende stap/slag is om het door jou zèlf (terecht!) aangesneden onderwerp – Virtuele Infrastructuur – hout-snijdend onderdak te verschaffen.

  • Dirk-Jan de Bruijn #

    6 juli 2014, 08:56

    Terecht punt Jan; ben momenteel aan de slag binnen SGO9 verband om een programma vorm te geven om kleine(re) uitvoeringsorganisaties te ondersteunen bij hun digitaliseringstraject i.k.v. digitaal 2017. En dan lopen tegen we veel van deze aspecten aan. Die we agenderen op de juiste bestuurlijke tafels …

  • Jan van Til #

    6 juli 2014, 19:25

    Dirk-Jan,

    Mag ik uit je antwoord opmaken dat het “SG09 verband” in haar programmavorming niet wezenlijk verder kijkt dan de broek van de overheid groot is? Indien je antwoord op die vraag bevestigend is, hoe denk je dan werkelijke virtuele infrastructuur te bereiken – te weten één enkelvoudige voorziening voor alle deelnemers aan informatieverkeer (burgers, bedrijven en overheden)? Indien je echter elke willekeurige individuele deelnemer aan informatieverkeer op het oog hebt – dus: burgers, bedrijven en overheidsorganisaties, is de programma-scope van het “SG09 verband” dan niet (veel) te beperkt?

    Ik kan me goed voorstellen dat je tegen allerhande infrastructuraliseringsaspecten aanloopt. Hoe ga je op al die verschillende “juiste bestuurlijke tafels” waarborgen dat men het hardnekkige oude broek-denken daadwerkelijk uit het hoofd schudt? Er is namelijk helemaal geen broek; informatie laat zich niet in domeintjes/hokjes/broekjes opsluiten! Virtuele infrastructuur is ‘nogal’ ànders! In welke mate zie je aan die “juiste bestuurlijke tafels” een (belangrijke) rol weggelegd voor, bijvoorbeeld, civiel-informatiekundigen?

    Hoe kijk jij aan tegen wat zich tegenwoordig afficheert als ICT/informatie-architect? Zijn zij qua opleiding en praktijk niet vrijwel allemaal gepokt en gemazeld geraakt in oud-en-vertrouwd broekjes-denken – waarbij men er domweg van uit gaat dat informatie-broekjes er 1-op-1 mee samenvallen?

Reactieformulier

De met een * gemarkeerde velden zijn verplicht. U ziet eerst een voorbeeld en daarna kunt u uw bijdrage definitief plaatsen. Uw e-mailadres wordt niet op de site getoond. Reacties zonder achternaam worden verwijderd. Anoniem reageren alleen in uitzonderlijke gevallen in overleg met de redactie. U kunt bij de vormgeving van uw reactie gebruik maken van textile en er is beperkt gebruik van html mogelijk.