In Nederland werkt het ministerie van Binnenlandse Zaken momenteel aan een publieke NL-wallet en aan het bredere Nederlandse EDI-stelsel. Daarmee ontstaat een nieuwe digitale infrastructuur waarmee burgers en bedrijven zich online kunnen identificeren en gecontroleerd gegevens kunnen delen. Toch gaat de EDI-wallet over veel meer dan alleen een nieuwe manier van inloggen. Achter de metafoor van een ‘digitale portemonnee’ schuilt een veel grotere verandering. De wallet raakt namelijk aan de manier waarop overheden en organisaties omgaan met gegevensuitwisseling, digitale dienstverlening en digitale publieke infrastructuur.
We moeten het hebben over: de EDI-wallet
De Europese Digitale Identiteit (EDI) komt snel dichterbij. Volgens nieuwe Europese regelgeving moeten alle EU-lidstaten uiterlijk eind 2026 minimaal één goedgekeurde digitale identiteitswallet beschikbaar hebben. Overheden worden verplicht deze wallet te accepteren voor online dienstverlening. Naar verwachting zullen later ook veel private organisaties volgen.
Niet alleen de techniek achter digitale identificatie verandert, maar ook de manier waarop organisaties omgaan met persoonsgegevens.
1. Wat verandert er met de EDI-wallet?
Veel organisaties zien de EDI-wallet nog vooral als een opvolger van DigiD of eHerkenning. Dat beeld is echter te beperkt. DigiD draait voornamelijk om authenticatie: vaststellen wie iemand is. Nadat iemand is ingelogd, bepalen systemen vervolgens welke gegevens nodig zijn voor een proces. De EDI-wallet introduceert een andere manier van werken. Niet de identiteit zelf staat centraal, maar het gecontroleerd delen van specifieke gegevens die nodig zijn voor een bepaalde dienst of handeling. In de praktijk betekent dit bijvoorbeeld dat iemand niet langer een volledig identiteitsbewijs hoeft te delen, maar alleen een gecontroleerde bevestiging dat iemand ouder is dan achttien jaar. Ook kan straks een bewijs van een beroepskwalificatie worden gedeeld zonder direct een volledig diploma beschikbaar te stellen. Daarmee verandert niet alleen de techniek achter digitale identificatie, maar ook de manier waarop organisaties omgaan met persoonsgegevens. Technologieën zoals verifiable credentials en zero-knowledge proofs maken dit mogelijk. Hoewel die termen technisch klinken, is het achterliggende principe relatief eenvoudig: alleen de noodzakelijke informatie wordt gedeeld, terwijl de ontvangende partij toch kan controleren of die informatie betrouwbaar is.
2. Waar staan Nederland en Europa nu?
Op Europees niveau zijn de belangrijkste kaders inmiddels vastgelegd via de vernieuwde eIDAS-verordening. Europa werkt momenteel verder aan technische standaarden en afspraken die ervoor moeten zorgen dat wallets in verschillende lidstaten met elkaar kunnen samenwerken.Nederland ontwikkelt ondertussen het nationale EDI-stelsel en de publieke NL-wallet. Die moet eind 2026 operationeel zijn en aansluiten op de Europese afspraken. Daarnaast wordt gewerkt aan toezicht, certificering, beveiliging en afspraken over organisaties die walletgegevens mogen uitwisselen of gebruiken.Toch bevinden veel organisaties zich nog vooral in een voorbereidende fase. Er wordt onderzocht, getest en geëxperimenteerd, maar concrete implementaties zijn nog beperkt. Dat heeft niet alleen te maken met technische onzekerheden, maar ook met beperkte capaciteit. Overheidsorganisaties hebben de afgelopen jaren al veel grote digitale veranderingen tegelijk moeten verwerken, door nieuwe regelgeving zoals NIS2 en de AI Act. De invoering van de wallet komt daar nu bovenop.
Per dienst moet expliciet vastgelegd worden welke gegevens nodig zijn, waarom die nodig zijn en of die via de wallet mogen worden opgevraagd.
Bovendien zijn veel bestaande systemen ooit ontworpen vanuit centrale gegevensverwerking. Organisaties slaan vaak grote hoeveelheden gegevens zelf op en wisselen complete datasets uit. Het walletmodel vraagt juist om minimale en gerichte gegevensdeling. Daardoor raakt de invoering van de wallet niet alleen ICT-systemen, maar ook diverse processen.
Voor gemeenten wordt dat inmiddels steeds concreter zichtbaar. Uit onderzoek van Innovalor in opdracht van VNG Realisatie blijkt dat gemeenten zich straks eerst moeten registreren als zogeheten relying party voordat zij walletgegevens mogen gebruiken binnen hun dienstverlening. Dat betekent dat per dienst expliciet moet worden vastgelegd welke gegevens nodig zijn, waarom die nodig zijn en of die via de wallet mogen worden opgevraagd. Dat raakt direct aan de dagelijkse uitvoeringspraktijk. Bij een aanvraag voor een parkeervergunning moet bijvoorbeeld vooraf worden bepaald of adresgegevens via de wallet worden opgevraagd en of dat juridisch noodzakelijk is. Hetzelfde geldt voor veel andere gemeentelijke diensten, zoals uittreksels, vergunningen of ondersteuningstrajecten. De komende twee jaar verschuift bovendien de aandacht van beleidsvorming naar concrete uitvoering. Europese standaarden worden verder ingevuld, pilots worden opgeschaald en organisaties moeten steeds concreter bepalen hoe walletfunctionaliteit binnen bestaande dienstverlening wordt geïntegreerd. Dat laatste blijkt ingewikkeld. Veel organisaties ontdekken dat de wallet niet simpelweg een extra authenticatiemiddel is dat naast bestaande systemen geplaatst kan worden. In veel gevallen moeten processen opnieuw worden ingericht, gegevensstromen explicieter worden beschreven en verantwoordelijkheden duidelijker worden vastgelegd.
3. Wat is de EU Business Wallet en waarom is die belangrijk?
Naast de wallet voor burgers werkt Europa ook aan een zogeheten EU Business Wallet. Die krijgt minder aandacht in het publieke debat, maar kan voor bedrijven uiteindelijk minstens zo ingrijpend worden. De gedachte achter de business wallet is vergelijkbaar met die van de ‘burgerwallet’. Organisaties moeten zich straks binnen Europa digitaal kunnen identificeren en gecontroleerd gegevens kunnen uitwisselen. Denk aan vergunningen, certificeringen, bevoegdheden, bedrijfsgegevens of andere verifieerbare informatie. Dat kan vooral bij grensoverschrijdende dienstverlening grote voordelen opleveren. Processen die nu veel handmatig werk, documenten en controles vereisen, kunnen sneller en betrouwbaarder verlopen wanneer gegevens direct digitaal gevalideerd kunnen worden.Voor bedrijven kan dat leiden tot minder administratieve lasten en efficiëntere samenwerking binnen Europese ketens. Tegelijkertijd ontstaan ook nieuwe vragen. Welke organisatie geldt als officiële bronhouder van gegevens? Hoe worden bevoegdheden gecontroleerd? Welke standaarden gaan lidstaten gebruiken? En hoe wordt toezicht georganiseerd wanneer organisaties internationaal opereren?
De EU Business Wallet laat daarmee zien dat eIDAS niet alleen over digitale identiteit van burgers gaat, maar over een bredere Europese infrastructuur voor betrouwbare gegevensuitwisseling tussen overheden, burgers en bedrijven.Ook hier worden de komende jaren bepalend. Zodra Europese standaarden concreter worden, zullen organisaties moeten bepalen welke bedrijfsgegevens als verifieerbare credentials beschikbaar komen en welke processen daarvoor geschikt zijn. Vooral in sectoren zoals logistiek, financiële dienstverlening, mobiliteit en vergunningverlening kan de impact groot worden.
4. Waarom blijkt de implementatie zo ingewikkeld?
De grootste uitdaging blijkt niet de technologie zelf te zijn. De echte complexiteit zit in het expliciet maken van gegevensgebruik. Organisaties moeten veel nauwkeuriger gaan vastleggen welke gegevens noodzakelijk zijn, waarom die nodig zijn en of hetzelfde doel ook met minder gegevens bereikt kan worden. Ook vragen rondom definities, geldigheid en bronverantwoordelijkheid worden belangrijker. Dat klinkt logisch, maar in veel bestaande processen worden gegevens automatisch opgehaald en verwerkt zonder dat daar expliciete keuzes achter zitten. Binnen het walletmodel moet dat vooraf veel duidelijker worden beschreven.
Volgens het onderzoek van Innovalor schuilt juist daar een belangrijk risico voor overheden. Veel gemeentelijke diensten lijken sterk op elkaar, maar zonder gezamenlijke aanpak dreigt iedere gemeente deze exercitie afzonderlijk uit te voeren. Daardoor kunnen vergelijkbare processen per gemeente anders worden ingericht. De ene gemeente kan ervoor kiezen bepaalde gegevens via de wallet op te vragen, terwijl een andere gemeente daar anders mee omgaat of een andere juridische onderbouwing gebruikt. Dat maakt niet alleen de uitvoering ingewikkelder, maar vergroot ook de kans op fragmentatie en vertraging. Daardoor verschuift de complexiteit van techniek naar standaardisatie en samenwerking tussen organisaties.
Net als bij de Common Ground-beweging draait het om gestandaardiseerde gegevensuitwisseling, duidelijke bronverantwoordelijkheid en federatieve architectuur.
De wallet zorgt voor brede discussies binnen de digitale overheid. Net als bij de Common Ground-beweging draait het uiteindelijk om gestandaardiseerde gegevensuitwisseling, duidelijke bronverantwoordelijkheid en federatieve architectuur. Alleen komt daar nu een Europese interoperabiliteitslaag bovenop. Daarom zal de komende periode waarschijnlijk steeds meer draaien om uitvoerbaarheid. Niet alleen technisch, maar vooral organisatorisch. Er zijn voor overheden diverse vraagstukken: welke processen lenen zich als eerste voor wallettoepassingen? Welke gegevens mogen worden gedeeld? Welke organisaties worden gegevenshouders? En hoe wordt toezicht ingericht?
5. Welke kansen biedt de wallet voor publieke dienstverlening?
Tegenover die complexiteit staan ook grote kansen. De wallet kan leiden tot privacyvriendelijkere dienstverlening, minder onnodige gegevensuitwisseling en meer transparantie voor burgers. Daarnaast kunnen administratieve processen eenvoudiger worden ingericht wanneer gegevens betrouwbaarder en gestandaardiseerd worden gedeeld. Vooral in internationale situaties, zoals werken over de grens, studeren in andere EU-landen of vergunningverlening, kan dat grote voordelen opleveren.
Ook voor de digitale overheid zelf kan de wallet een belangrijke versneller zijn van bredere architectuurvernieuwing. Veel organisaties werken al aan meer API-architectuur, federatieve gegevensuitwisseling en betere bronregistraties. De wallet sluit daar goed op aan en kan die ontwikkelingen verder stimuleren. Tegelijkertijd dwingt de wallet organisaties om kritischer te kijken naar proportionaliteit en gegevensminimalisatie. Veel bestaande processen zijn historisch gegroeid vanuit organisatorisch gemak. Complete datasets worden gedeeld, omdat systemen dat nu eenmaal ondersteunen; de walletarchitectuur maakt dat steeds minder vanzelfsprekend. Uiteindelijk draait de EDI-wallet daarom om veel meer dan een nieuwe manier van digitaal inloggen. Het gaat om een fundamentele herinrichting van digitale gegevensuitwisseling binnen Europa in de komende jaren.
Dit artikel is ook gepubliceerd in iBestuur Magazine #59 van juni 2026.
Nog geen (gratis) abonnement? Klik HIER
Plaats een reactie
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.
Terechte oproep tot vorming van beleid (in formeel juridische zin, als in art 1:3 ten 4e Awb) met overheidsbrede aandacht voor theorie en methode.
Openbaarheid en transparantie gaan (ook) over inrichting en verantwoording zodat sprake kan zijn van aansluiting op Algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Die inrichting (via architectuur) behoort een plaats te hebben in de formele beleidsvorming.