Geschiedschrijving over overheidshandelen is geen archiefsport. Zij legt bloot hoe instituties destijds afwegingen maakten en waar risico's zijn genomen die pas decennia later zichtbaar worden. Wie dat proces niet kan reconstrueren, kan er niet van leren — en loopt het risico dezelfde fouten te herhalen.
Wat gebeurt er met informatie nadat de actualiteitswaarde is verdwenen?
De discussie over de Wet open overheid (Woo) gaat vrijwel altijd over hetzelfde: hoe snel kan de overheid een Woo-verzoek afhandelen, wat kost dat, en hoe blijft het uitvoerbaar — ook tijdens het rondetafelgesprek vorig jaar en de Kamercommissievergadering van afgelopen juni. Eén ding bleef onbesproken: wat gebeurt er met overheidsinformatie ver nadat de actualiteitswaarde is verdwenen . Wat is, voor de inzageverzoeker, de harde praktijk? Hier wringt "iets" structureels, niet alleen juridisch maar vooral informatiehuishoudkundig.
Tijderosie
Als onderzoeker naar de geschiedenis van de Nederlandse telexberichtbeveiliging na de Tweede Wereldoorlog dien ik al zeven jaar een beperkt aantal Woo-verzoeken in over informatie van zestig, zeventig jaar oud — niet om personen, maar om te reconstrueren wat er institutioneel is gebeurd.
Tussen het ontstaan van informatie en het moment waarop zij toegankelijk wordt, gaat context geleidelijk verloren — mensen overlijden, organisaties verdwijnen, technische kennis veroudert, systemen worden uitgefaseerd. Ik noem dat tijderosie: Met elk jaar vertraging wordt informatie minder gevoelig, maar tegelijk moeilijker te ontsluiten en te interpreteren.
De Woo kent daarvoor geen effectief mechanisme. De enige structurele herbeoordeling die de wet regelt, geldt voor documenten van vijf jaar oud. Voor informatie van decennia oud — waar die “gevoeligheidsafweging” door tijderosie volledig is gekanteld — bestaat geen voorziening.
De Woo werd met overheidsgeld gemaakt, maar wordt vervolgens weer met overheidsgeld fanatiek bestreden
Als voorbeeld een berichtenversleutelingssysteem uit de jaren zestig, ontworpen om telexberichten dertig dagen geheim te houden: met de zwaarste rekenmachines van toen zou het kraken ervan minstens dertig dagen kosten. Door zestig jaar aan versnelde rekenkracht is diezelfde versleuteling nu, met alleen maar een gewone desktopcomputer, in 0,15 seconde te breken. Toch werd dat telexvercijfersysteem in 2025 herbeoordeeld en opnieuw gerubriceerd als Staatsgeheim (niveau geheim). Dat is tijderosie in de praktijk: een rubricering die overeind blijft omdat niemand de technische aanname erachter nog toetst — met als gevolg dat de beoordeling onhoudbaar is.
De overheid blijkt documenten van vijftig jaar en ouder niet meer (goed) inhoudelijk te kunnen beoordelen; de resultaten zijn, bij gebrek aan beoordelingskennis, pijnlijk en bedroevend.
Als afscherming voor vrijgave wordt vaak gewezen naar mogelijke bezwaren door bondgenoten. Maar mijn onderzoekservaring in NAVO/NATO-archieven heeft geleerd dat voor mijn onderzoek alles van vóór 1990 vrijgegeven is. De harde conclusie: Nederland houdt vergelijkbare informatie geheim, die ruim twee keer zo oud is.
Tijderosie kost de overheid onnodig geld — hetzelfde argument waarmee de Woo-discussie doorgaans wordt gevoerd, maar dan vanuit een 180 graden andere hoek. Sterker nog, minstens één overheidsonderdeel huurt externe juridische expertise in om de Woo als bedrijfsvoeringsrisico te beheersen, ik bedoel, te nulliseren. De Woo werd met overheidsgeld gemaakt, maar wordt vervolgens weer met overheidsgeld fanatiek bestreden. Het morele kompas, het democratisch overleg, de basis van de wet moet het uitgangspunt zijn en blijven.
Naar mijn ervaring zijn de doorlooptijden bij inzageverzoeken over historische informatie zeker tienmaal de wettelijke termijn — niet doordat ambtenaren traag werken, maar doordat beoordeling van historische dossiers meer tijd kost, maar ook door de tijdserosie ten opzichte van actuele documenten. Dat beperkt zich niet tot de Woo: ook bij de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (WIV) 2017 zie ik hetzelfde structurele patroon. Hoe ouder de informatie, hoe minder de wettelijke termijnen er in de praktijk nog toe doen.
Het echte knelpunt zit in het beheer
Wat ik in de praktijk tegenkom, is minstens zo hardnekkig als de juridische kant: veel documenten van vijftig jaar en ouder berusten nog steeds bij het overheidsonderdeel waar ze ontstonden, in plaats van overgebracht naar het Nationaal Archief zoals de Archiefwet voorschrijft. Organisaties beroepen zich op afspraken met opdrachtgevers of op rubricering om overdracht achterwege te laten, en informatie die niet op een selectielijst staat, wordt vaak ongedocumenteerd vernietigd. In een selectielijst wordt vooraf bepaald wat achteraf van belang is. De praktijk is dat mijn onderzoeksonderwerp jarenlang in de jaarverslagen van een overheidsonderdeel voorkomt, maar niet in hun selectielijst.
Bij informatie van vijftig jaar oud is "achterstallig onderhoud" als excuus echter niet meer houdbaar
De huidige Archiefwet uit 1995 stelt de overbrengingstermijn op twintig jaar; de nieuwe wet, die januari 2027 ingaat, verkort die naar tien jaar. Winst op "papier" — in de praktijk worden gerubriceerde documenten vaak stilzwijgend uitgezonderd, terwijl die gewoon onder de Archiefwet vallen: een onderlinge afspraak over rubricering gaat niet boven die nationale wet. Er is echter een andere "ontsnappingsroute": voorkomen dat een onderwerp überhaupt op een selectielijst komt. Dat is, naar mijn ervaring, waar het in de praktijk vaak op vastloopt.
Vooraf goed selecteren is nu eenmaal lastiger dan achteraf opruimen. Bij informatie van vijftig jaar oud is "achterstallig onderhoud" als excuus echter niet meer houdbaar. Dit knelpunt is niet onopgemerkt gebleven — dit blad wees eerder dit jaar al op de mismatch tussen de Archiefwet en de digitale praktijk, vanuit het perspectief van de organisatie zelf.
Onvindbaar voor de geschiedenis
Er speelt een concreet IT-probleem: bij een Woo-verzoek aan een kennisinstelling moest ik zelf de zoektermen aanleveren, omdat de instelling niet kon vaststellen wat er in het nooit gedigitaliseerde papieren archief zat. Voor zover er een index bestaat, is die opgebouwd rond auteur, onderwerp en productiedatum: metadata ontworpen voor administratief hergebruik, niet voor reconstructie achteraf.
Dat verschil is precies waar geschiedschrijving op vastloopt. Een historisch onderzoeker zoekt niet op auteur, maar op een gebeurtenis, een samenwerkingsverband, een technisch concept dat dwars door de jaren heen loopt. Een archief dat alleen ontsloten is op administratieve metadata, is voor dat soort vragen ontoegankelijk, ook al staat het fysiek "gewoon" in een archiefkast. De informatie bestaat, maar is onvindbaar zonder dat de aanvrager al weet wat hij zoekt — een “catch 22” die bij oudere, nooit gedigitaliseerde archieven de norm is.
Dit is niet alleen een archiveringsvraagstuk, maar een gebrek aan digitale ontsluiting: geen OCR, geen AI gestuurde reconstructie van antiek typemachineschrift, geen full-text search, geen thematische indexering. Investeringen stoppen bij het toenmalige primaire proces, waardoor het historisch archief buiten beeld blijft. Het gevolg: toegang tot decennia-oude informatie hangt af van hoeveel een onderzoeker toevallig al (nog?) weet. Die degeneratie verloopt bovendien niet lineair: na vijftig jaar neemt het aantal mensen dat nog iets weet van het onderwerp in versneld tempo af.
Een incident-voor-incident-oplossing
Het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging — het oorlogsarchief over collaboratiezaken — illustreert waar dit toe leidt. Toen dat archief online doorzoekbaar werd gemaakt, blokkeerde de Autoriteit Persoonsgegevens dit; de oplossing kwam niet via een structurele aanpassing van de wet, maar via een aparte spoedwet. Historische toegankelijkheid wordt zo telkens per incident opgelost, terwijl het probleem structureel is: onze informatiehuishouding is niet ingericht op langjarige, gefaseerde openbaarmaking.
Overheden nog altijd alle namen weg, ook van mensen die in die documenten inmiddels ouder zouden zijn dan de nu oudste levende Nederlander
Daarbij komt dat een onderscheid dat in de jurisprudentie wél bestaat, in de praktijk van archiefbeheer nauwelijks doorwerkt: bestuurders en ambtenaren die uit hoofde van hun functie naar buiten traden, gelden als publieke personen met beperktere privacybescherming. Onderzoek naar de naoorlogse telexberichtbeveiliging gaat niet over het privéleven van betrokkenen, maar over wat zij, in hun organiserende rol, hebben gedaan. Dat onderscheid zou een vaste plek moeten krijgen. Toch lakken overheidsonderdelen nog altijd alle namen weg, ook van mensen die in die documenten inmiddels ouder zouden zijn dan de nu oudste levende Nederlander.
Wat wél zou helpen
Vier aanknopingspunten voor wie verantwoordelijk is voor informatiebeleid:
- Neem tijderosie expliciet op als toetsingsfactor bij herbeoordeling van rubricering — niet alleen na vijf jaar, maar met vaste, verplichte momenten daarna.
- Verplichte tijdige overdracht aan het archief, met een reëel handhavingsmechanisme — nu is het vrijblijvend, wat verklaart waarom bij sommige ministeries vijftig jaar oude stukken nog "onderhanden" zijn.
- Betrek historisch onderzoekers als stakeholder bij de evaluatie van de Woo en bij de inrichting van selectielijsten — zij zien, samen met archivarissen, het beste waar informatiehuishouding op lange termijn vastloopt.
- Investeer gericht in digitalisering en OCR van oudere archieven, en in indexering op thema en gebeurtenis naast auteur en productiedatum — anders blijft ontsluiting afhankelijk van kennis die de aanvrager per definitie nog niet heeft. Wat AI straks aan OCR-restauratie en tekstanalyse kan toevoegen, is een verhaal apart.
Digitalisering van de overheidsinformatie gaat niet alleen over nieuwe systemen en snellere processen, maar over wat er met informatie gebeurt nadat de actualiteit voorbij is — exact het domein waar de Woo-discussie nu volstrekt aan voorbijgaat.
Nawoord auteur
Na 35 jaar telecomconsultant voor grote Nederlandse organisaties kwam ik bij het opruimen van mijn archieven het ontwerp tegen van de eerste naoorlogse telexbericht-vercijferings systemen (1946-1956) van mijn vader. Toen staatsgeheim, nu museumwaardig. Die vondst zette mij aan tot zeven jaar speurwerk naar deze geschiedenis, met medewerking, maar tot mijn verbijstering ook met tegenwerking.
Plaats een reactie
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.
Er is een eenvoudige redeneerlijn om het verlies aan bruikbaarheid van informatie te voorkomen. De Archiefwet en Woo sluiten daar naadloos op aan.
Elk overheidsorgaan bestaat bij de gratie van een wettelijke opdracht met verantwoordelijkheden en bevoegdheden die leiden tot de verplichting om te verantwoorden. Die verantwoording behoort (ook) inzicht te geven in het functioneren (opzet, bestaan en werking). Juist nu steeds meer wetgeving eisen stelt aan informatie, verwerking en bescherming en dus eisen stelt aan inzicht in maatregelen (definitie, inrichting, effectiviteit). Daarvoor is inzicht vereist in wat aan informatie wordt ontvangen, gecreëerd, verwerkt en gedeeld, inclusief de maatregelen om aan wettelijke eisen te voldoen. Creatie omvat ook de informatie over bestuurlijk handelen. Juist het archief hoort dat inzicht in alle facetten van het functioneren te kunnen bieden. Dan kan de openbaarmaking daar ook uit putten.
Overheidsorganen behoren zich meer bewust te richten op de verantwoording (in, bij en over de processen / handelingen) in heden en toekomst. Selectielijsten zijn nu teveel losgezongen van de specifieke elementen van de wettelijk vereiste verantwoording.