Overslaan en naar de inhoud gaan
(advertentie)

De Digitale Omnibus en de illusie van eenvoud

Zwarte rechtershamer op rode achtergrond met woorden Omnibus Law eronder
Europa dreigt in het digitale domein de soevereiniteit geruisloos uit handen te geven. | Beeld: Shutterstock

Op 19 november 2025 lanceerde de Europese Commissie de Digitale Omnibus. Wat wordt gepresenteerd als een pragmatische schoonmaakoperatie van het Europese regelwoud, is in 2026 uitgegroeid tot een existentieel kruispunt voor de Unie. Terwijl de inkt van de recente Joint Statement on Greenland nog nat is en Europese leiders daarmee krachtig benadrukken dat soevereiniteit en territoriale integriteit niet te koop zijn als reactie op Amerikaanse expansiezucht, dreigt Europa in het digitale domein juist die soevereiniteit geruisloos uit handen te geven. Achter de façade van administratieve vereenvoudiging woedt een strijd om de ziel van de Europese rechtsorde, waarin de grens tussen het stroomlijnen van regels en het structureel faciliteren van extraterritoriale dominantie steeds vager wordt.

De aanleiding voor de Digitale Omnibus is even begrijpelijk als legitiem. De afgelopen jaren heeft Brussel in recordtempo een digitaal fort opgetrokken met verordeningen en richtlijnen zoals de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), de NIS2-richtlijn, de Data Act, de Digital Markets Act (DMA), de Digital Services Act (DSA) en de AI Act. Het resultaat is een juridisch labyrint waarin definities botsen en de nalevingskosten voor het midden- en kleinbedrijf de pan uit rijzen. De belofte van de Commissie klinkt dan ook verleidelijk, met één loket, minder papierwerk en meer duidelijkheid om de Europese concurrentiekracht nieuw leven in te blazen. Toch is waakzaamheid geboden. In de digitale economie zijn wetswijzigingsvoorstellen over definities, uitzonderingen en toezichtkaders namelijk geen neutrale, technische ingrepen, maar onderdeel van een machtsspel waarin ook geopolitieke en economische belangen meespelen. Wie via zulke voorstellen de begrippen herschrijft, herverdeelt de macht tussen burger, staat en markt.

Het Trojaanse paard van de harmonisatie

De kern van de controverse ligt in de subtiele verschuiving van harde rechtsbescherming naar vloeibare normen. Onder het mom van termen als ‘vereenvoudiging’ en ‘innovatie’ worden essentiële waarborgen rondom consent en doelbinding onder druk gezet. Een ogenschijnlijk geringe wetswijziging kan bepalen hoeveel ruimte bedrijven krijgen om profielen op te bouwen en verantwoordelijkheid te ontwijken. Juridische experts en privacy-activisten waarschuwen dat het versoepelen van regels, bedoeld om administratieve lasten te verlichten, de facto kan leiden tot een uitholling van grondrechten.

Wanneer toezichtkaders worden samengevoegd en definities worden opgerekt, ontstaat het risico dat de Digitale Omnibus functioneert als een Trojaans paard. Het opent de poorten voor bredere data-uitwisseling met partijen buiten de Unie, precies het terrein waarop het Europese Hof van Justitie in eerdere arresten de Commissie terugfloot. Het gevaar is niet direct zichtbaar in de grote lijnen van de wet, maar schuilt in de voetnoten en uitzonderingsclausules. Hierdoor dreigt de inhoudelijke bescherming van burgers stapsgewijs te verdampen, terwijl het paradoxaal genoeg niet de kleine en middelgrote ondernemingen zijn die profiteren, maar de kapitaalkrachtige spelers die al over de juridische slagkracht beschikken om de mazen in het net te benutten.

De Draghi-Wennink paradox

De politieke motor achter deze deregulering dreigt een selectieve en daardoor gevaarlijke interpretatie van recente economische adviezen. Beleidsmakers schermen veelvuldig met het rapport van Mario Draghi over het Europese concurrentievermogen om het snoeimes in de regels te legitimeren. Draghi’s diagnose is helder. Europa kampt met een structureel lagere productiviteitsgroei en een gebrek aan risicokapitaal.

Innovatie ontstaat niet door enkel regels te schrappen, maar door de infrastructuur te bezitten waarop die regels rusten

Maar waar de politiek gretig de oproep tot minder bureaucratie omarmt, negeert zij de onlosmakelijk verbonden tweede pijler van zijn advies. Draghi stelt onomwonden dat deregulering zinloos is zonder een massieve investeringsagenda van 750 tot 800 miljard euro per jaar. Dit inzicht sluit naadloos aan bij de visie van voormalig ASML topmanPeter Wennink, die waarschuwt dat Europa niet alleen verliest op snelheid, maar vooral op zelfstandigheid. Wennink pleit voor strategische digitale autonomie door het bouwen van ecosystemen waarin overheid, kennisinstellingen en kapitaal elkaar versterken. Daarbij benadrukt hij dat een structurele investering in de ontwikkeling en het behoud van technisch talent de onmisbare brandstof is voor deze ecosystemen.

De synergie tussen de analyses van Draghi en Wennink toont de pijnlijke realiteit. Innovatie ontstaat niet door enkel regels te schrappen, maar door de infrastructuur te bezitten waarop die regels rusten. In het huidige debat lijkt de weg van de minste weerstand, want wetten schrappen is begrotingstechnisch gratis, terwijl investeren politieke moed vereist. Zonder harde keuzes, financiële rugdekking en de opbouw van eigen technologische capaciteit kan de Omnibus onbedoeld precies die afhankelijkheid bestendigen die Wennink juist als existentiële dreiging benoemt.

Een democratie onder druk van miljoenen

Dat deze wetgevingsoperatie precies nu in een stroomversnelling raakt, kan niet los worden gezien van de ongekende druk vanuit BigTech-bedrijven. De transparantieregisters van de EU laten zien dat 2025 een recordjaar was voor lobbyuitgaven. Technologiebedrijven spendeerden ruim 151 miljoen euro om hun belangen in Brussel te behartigen, een stijging van meer dan dertig procent ten opzichte van twee jaar daarvoor. Met een leger van naar schatting bijna negenhonderd fulltime lobbyisten is de technologiesector inmiddels in aantal sterker vertegenwoordigd dan de gekozen leden van het Europees Parlement.

Deze wanverhouding creëert een reëel risico op regulatory capture, een situatie waarin de wetgever onbewust de oren laat hangen naar hen die hij geacht wordt te controleren. De invloed van deze lobbyisten manifesteert zich niet zozeer in de openbare plenaire debatten, maar in de complexe, technische details van de wetteksten. Wanneer een lobbyorganisatie pleit voor ‘efficiëntie in dataprocessen’, betekent dit in de praktijk vaak minder nationale toezichthouders en minder barrières voor datastromen naar de Verenigde Staten. Zonder voldoende tegenwicht, transparantie en onafhankelijk toezicht riskeert de Omnibus te verworden tot een instrument van marktlogica in plaats van publiek belang, waarbij de democratische controle op het proces verzwakt.

Geopolitieke naïviteit

De discussie over regelgeving kan niet langer in een vacuüm worden gevoerd, los van de harde geopolitieke realiteit. Data is de strategische grondstof van de digitale economie en de controle daarover is een kwestie van nationale veiligheid. De Amerikaanse National Security Strategy positioneert technologie expliciet als een centraal element in de geopolitieke competitie. Tegen deze achtergrond is de Europese afhankelijkheid van Amerikaanse cloud en digitale infrastructuur, die volgens veel schattingen dominant is en in meerdere segmenten goed is voor een ruime meerderheid van de markt, uiterst zorgwekkend. Zolang Europese data door Amerikaanse servers en kabels stroomt, blijft de jurisdictie een heikel punt. Zo hebben de Amerikaanse Cloud Act en de Foreign Intelligence Surveillance Act extraterritoriale werking, wat betekent dat Amerikaanse inlichtingendiensten toegang kunnen eisen tot data van Amerikaanse bedrijven, ongeacht waar de servers fysiek staan.

Wetgeving kan slechts kaders scheppen en geen cloud bouwen zolang de essentiële infrastructuur grotendeels buiten Europese controle ligt.

Deze onzekerheid wordt verder vergroot doordat de huidige trans-Atlantische gegevensstroom steunt op het Transatlantic Data Privacy Framework en Standard Contract Clauses, een constructie die juridisch omstreden en kwetsbaar blijft en die, zoals critici onder wie Max Schrems benadrukken, in nieuwe procedures opnieuw onder druk kan komen te staan. De Omnibus beoogt weliswaar de fricties in deze datastromen te verminderen, maar wetgeving kan slechts kaders scheppen en geen cloud bouwen zolang de essentiële infrastructuur grotendeels buiten Europese controle ligt.

De reactie van BigTech, die zogenaamde ‘soevereine’ cloudoplossingen aanbieden, is in dit licht vaak niet meer dan schijnsoevereiniteit. Zolang het moederbedrijf onder Amerikaanse wetgeving valt, blijft de achterdeur openstaan. Een Europa dat zijn juridische drempels verlaagt via de Digitale Omnibus, zonder de machtsverhoudingen in de infrastructuur te veranderen, institutionaliseert zijn eigen kwetsbaarheid. Het leidt tot een situatie van papieren soevereiniteit, waarin we wel de regels beheren, maar niet de machines.

Het failliet van het Brussels Effect?

Het zogenaamde ‘Brussels Effect’ is misschien wel het krachtigste wapen in het geopolitieke arsenaal van de Unie. Door de interne markt te reguleren met hoge standaarden, zoals de AVG, dwingt de EU multinationals wereldwijd om hun producten en diensten aan te passen, simpelweg omdat de Europese markt te groot is om te negeren. Dit mechanisme rust echter volledig op consistentie en geloofwaardigheid. Wanneer Europa besluit zijn eigen regels te relativeren en standaarden te verwateren onder het mom van concurrentiekracht, ondermijnt het zijn eigen normstellende macht.

Als de EU zelf concludeert dat haar privacyregels te streng zijn voor innovatie, waarom zouden landen in Latijns-Amerika, Afrika of Azië het Europese model dan nog volgen? Het risico is een race to the bottom, waarbij Europa zijn unieke rol als hoeder van grondrechten en ethiek bij de inzet van technologie opgeeft en daarmee zijn extraterritoriale normen prijsgeeft. In een wereld die steeds meer wordt gedomineerd door surveillance-kapitalisme en autoritaire staatscontrole, is hoogwaardige rechtsbescherming juist een onderscheidende economische factor. Vertrouwen kan worden beschouwd als een belangrijk exportproduct van Europa. Het prijsgeven van dit vertrouwen ten behoeve van kortetermijnwinsten is niet alleen weinig realistisch, maar vooral ook strategisch ondoordacht.

Behandel de Digitale Omnibus niet als een technische formaliteit, maar als een strategische lakmoesproef

De koers naar digitale autonomie

Verschillende initiatieven tonen aan dat digitale afhankelijkheid niet onvermijdelijk is. Zo zetten het Oostenrijkse Federale Ministerie van Economische Zaken en hetInternationaal Strafhof in op eigen cloudomgevingen en open source, wat bewijst dat soevereiniteit haalbaar is met voldoende politieke wil. Deze voorbeelden onderstrepen het belang van een Eurostack-benadering, waarbij publieke inkoopkracht wordt benut om lokale technologie te laten opschalen. Het doel is niet volledige zelfvoorziening, maar digitale veerkracht en een substantieel aandeel in de eigen keten.

2026: aan de rand van de afgrond?

In 2026 staat Europa met de Digitale Omnibus op een kantelpunt dat de richting van het continent voor de komende jaren kan vastleggen. De verleiding is groot om te kiezen voor de snelle route van deregulering, in de hoop dat dit de economische groei aanwakkert. Een strategie die leunt op het schrappen van regels zonder de bijbehorende investeringen in eigen capaciteit is echter geen innovatiebeleid, maar capitulatiebeleid. Het maakt de markt eenvoudiger voor wie al groot is, zonder de Europese slagkracht te vergroten om zelf groot te worden. Net zoals Europa in januari 2026 in verklaringen over Groenland een streep in het zand trok om territoriale soevereiniteit en integriteit te markeren, moet het diezelfde standvastigheid tonen ten aanzien van zijn digitale territorium.

Voor beleidsmakers en politici luidt het advies om de Digitale Omnibus niet te behandelen als een technische formaliteit, maar als een strategische lakmoesproef. Ten eerste moet elke vereenvoudiging strikt getoetst worden op het behoud van kernwaarborgen, omdat vereenvoudiging nooit synoniem mag zijn aan verzwakking. Ten tweede moet de wetgevende agenda onlosmakelijk gekoppeld worden aan de investeringsagenda zoals voorgesteld door Draghi, want zonder de middelen om eigen infrastructuur te bouwen blijft regelgeving een lege huls. Ten slotte is er behoefte aan een transparante impactanalyse die verder kijkt dan administratieve lasten en ook de effecten op de democratische rechtsstaat en strategische autonomie meeweegt. Europa moet stoppen met het faciliteren van externe grootmachten en beginnen met het investeren in eigen kracht. Alleen door vast te houden aan het eigen morele kompas en tegelijkertijd te bouwen aan technologische onafhankelijkheid kan Europa voorkomen dat het in 2030 digitaal efficiënt, maar strategisch irrelevant is.

Plaats een reactie

U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.

Melden als ongepast

Door u gemelde berichten worden door ons verwijderd indien ze niet voldoen aan onze gebruiksvoorwaarden.

Schrijvers van gemelde berichten zien niet wie de melding heeft gedaan.

(advertentie)

Bevestig jouw e-mailadres

We hebben de bevestigingsmail naar %email% gestuurd.

Geen bevestigingsmail ontvangen? Controleer je spam folder. Niet in de spam, klik dan hier om een account aan te maken.

Er is iets mis gegaan

Helaas konden we op dit moment geen account voor je aanmaken. Probeer het later nog eens.

Maak een gratis account aan en geniet van alle voordelen:

Heb je al een account? Log in

Maak een gratis account aan en geniet van alle voordelen:

Heb je al een account? Log in