De Smart City Strategie had twee doelen: de kwaliteit van leven in Nederlandse steden verbeteren én de internationale concurrentiekracht versterken. Vooral bij dat tweede doel rijst de vraag of de ingezette middelen — een prominente aanwezigheid op internationale congressen en deelname aan handelsmissies — voldoende rendement hebben opgeleverd voor bedrijven én voor de steden zelf.
Hoe heeft Smart City het als exportproduct gedaan?
Nederland wilde zich internationaal met Smart City op de kaart zetten. Via deelname aan expo’s en handelsmissies all-over-the-world moesten successen worden behaald. Nederlandse steden fungeerden daarbij als uithangbord. Tien jaar na de lancering van de Nederlandse Smart City-strategie is een kritische terugblik op zijn plaats. Wat is er terecht gekomen van de export van de Smart City?
Een zichtbare Nederlandse etalage
Nederland heeft zich de afgelopen jaren vooral via twee kanalen internationaal gepresenteerd: de jaarlijkse Smart City Expo World Congres in Barcelona en Smart City-programma’s tijdens handelsmissies van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).
De expo in Barcelona is sinds 2011 een belangrijke internationale ontmoetingsplek voor bedrijven, overheden en onderzoekers. Nederland is er sinds 2017 structureel aanwezig met een eigen stand en een flinke delegatie van steden, bedrijven en bestuurders. Steden presenteren er hun eigen profiel: Utrecht rond Healthy Urban Living, Den Haag rond veiligheid, Amsterdam rond circulariteit, Eindhoven rond slimme mobiliteit en Rotterdam rond weerbaarheid.
Die aanwezigheid heeft Nederland zichtbaarheid en internationale contacten opgeleverd. De boodschap is herkenbaar: Nederland heeft oplossingen voor wereldwijde stedelijke uitdagingen. Maar zichtbaarheid is nog geen exportsucces. Wie internationaal wil verkopen, moet niet alleen een interessant experiment kunnen tonen, maar vooral bewijzen dat een oplossing op grote schaal werkt, zowel technisch, financieel en bestuurlijk.
Veel toepassingen blijven beperkt tot één wijk, één stad of een tijdelijk programma
De pilot als zwakke plek
Daar zit de kern van het probleem. Nederland is goed in het ontwikkelen van lokale proeftuinen en pilots, vaak in nauwe samenwerking tussen gemeenten, bedrijven en kennisinstellingen. Dat is waardevol, maar een pilot is nog geen product dat eenvoudig naar andere steden of landen kan worden geëxporteerd.
Buitenlandse afnemers willen doorgaans weten of een oplossing al op grotere schaal draait, welke resultaten ermee zijn bereikt, hoe deze wordt beheerd en welke organisatie, infrastructuur en investering nodig zijn. Juist op die punten blijkt de Nederlandse Smart City-praktijk vaak kwetsbaar. Veel toepassingen blijven beperkt tot één wijk, één stad of een tijdelijk programma.
Ook op de Smart City Expo zelf is de Nederlandse aanwezigheid niet altijd optimaal gericht op buitenlandse afnemers. De beurs biedt ruimte voor internationale uitwisseling, maar Nederlandse delegaties organiseren ook veel eigen bijeenkomsten, diners en side-events. Dat versterkt het nationale netwerk, maar kan ertoe leiden dat deelnemers vooral met elkaar spreken. Voor export is juist de ontmoeting met potentiële klanten, lokale partners en buitenlandse overheden doorslaggevend.
Verschillende markten, andere waarden
Daar komt bij dat het begrip Smart City in andere landen iets heel anders kan betekenen dan in Nederland. Nederlandse steden leggen doorgaans de nadruk op leefbaarheid, duurzaamheid, mobiliteit, publieke waarden en de betrokkenheid van bewoners. Privacy en terughoudendheid met surveillance zijn daarbij belangrijke uitgangspunten.
In delen van Azië en het Midden-Oosten ligt de nadruk soms juist op vergaande dataverzameling, cameratoezicht, centrale controlekamers en geïntegreerde systemen voor stadsbeheer. Dat zijn niet alleen andere technische keuzes, maar ook andere politieke en maatschappelijke opvattingen over de rol van de overheid.
Nederlandse oplossingen sluiten daardoor niet altijd aan op de vraag in zulke markten — en dat hoeft ook niet. Het kan juist verstandig zijn om niet mee te bewegen met toepassingen die op gespannen voet staan met Nederlandse publieke waarden. Maar het betekent wel dat exportstrategie en waardenstrategie expliciet met elkaar verbonden moeten worden. Niet elke buitenlandse Smart City-markt is automatisch een passende markt voor Nederlandse steden of bedrijven.
Handelsmissies vragen om schaal
De hiervoor genoemde beperkingen van de pilot-aanpak van Smart Cities werden ook zichtbaar tijdens de Smart City-tracks van RVO-handelsmissies naar onder meer China, Taiwan, India, de Verenigde Staten, Zuid-Afrika, Australië en de Verenigde Arabische Emiraten. Dergelijke missies creëren contactmogelijkheden, maar leggen ook het verschil bloot tussen Nederlandse pilots en de omvang van stedelijke problemen elders.
In India is bijvoorbeeld behoefte aan bewezen oplossingen die op grote schaal kunnen worden toegepast. De schaal van de opgave is daar moeilijk te vergelijken met die in Nederland: New Delhi telt meer inwoners dan heel Nederland. Vraagstukken rond energie, water, afval, bereikbaarheid, luchtkwaliteit en digitale infrastructuur zijn er vaak aanzienlijk fundamenteler en omvangrijker.
Het risico is dat Nederlandse delegaties met slimme vuilnisbakken, lantaarnpalen of dashboards komen voor vraagstukken die een veel bredere aanpak vereisen
Bovendien zijn de randvoorwaarden anders. Betrouwbare elektriciteit en internet zijn niet overal gegarandeerd. Een digitale toepassing die goed functioneert in een Nederlandse gemeente, is dan niet zonder meer relevant of uitvoerbaar in een stad waar de basisinfrastructuur onder druk staat.
Het risico is dat Nederlandse delegaties met slimme vuilnisbakken, lantaarnpalen of dashboards komen voor vraagstukken die een veel bredere aanpak vereisen. Zulke technologie kán onderdeel zijn van een oplossing, maar alleen wanneer die past binnen lokale prioriteiten, bestaande infrastructuur, aansluitende waarden, en een realistisch uitvoeringsmodel.
Evalueer niet alleen de omzet
Kortom, de vraag is of Nederland de goede weg bewandelt om Smart City als exportproduct te promoten. Na tien jaar zou een degelijke evaluatie van deze aanpak op zijn plaats zijn. De vraagstelling zou daarbij niet alleen gericht moeten zijn op de opbrengsten voor het bedrijfsleven, maar ook op die voor de Nederlandse steden. Zeker voor die laatste zou de balans wel eens weinig positief kunnen uitpakken.
Plaats een reactie
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.