Digitale autonomie is het nieuwe duurzaamheid. Iedereen is ervoor, niemand is ertegen, maar zodra het concreet wordt, valt het begrip uiteen in uiteenlopende betekenissen. Voor de een gaat het om economische afhankelijkheid van Amerikaanse en Chinese technologiebedrijven. Voor de ander om democratische zeggenschap over publieke data. Sommigen vrezen geopolitieke (lees: Amerikaanse) druk op continuïteit van kritieke digitale dienstverlening, terwijl anderen vooral bezorgd zijn over commerciële afhankelijkheid van dominante leveranciers.
Digitale autonomie vraagt meer precisie
Overheden ontwikkelen soevereiniteitsbeleid, universiteiten zoeken alternatieven voor Microsoft en Google, gemeenten stappen over naar Europese cloudleveranciers. Maar achter die beweging schuilt een hardnekkige misvatting: dat digitale autonomie vooral een technologisch of infrastructureel vraagstuk is. Dat is het niet.
Die vaagheid is niet onschuldig. Zolang digitale autonomie niet scherp wordt gedefinieerd, bestaat het gevaar dat beleid in de praktijk nauwelijks zijn doel bereikt. Dat is zichtbaar in de huidige golf van strategieën en investeringen.
Afhankelijkheid is niet het probleem. Machteloosheid is het probleem
Geen onafhankelijkheid, maar handelingsvrijheid
Digitale autonomie wordt vaak impliciet gelijkgesteld aan onafhankelijkheid. Maar volledige onafhankelijkheid is in digitale infrastructuren niet realistisch, en waarschijnlijk ook niet wenselijk. De kernvraag is of staten en organisaties hun afhankelijkheden kunnen sturen. Kun je als bedrijf overstappen wanneer contractvoorwaarden veranderen? Kun je als universiteit je digitale infrastructuur aanpassen zonder je primaire processen te herontwerpen? Kun je als gemeente van leverancier wisselen zonder dat migratiekosten dat feitelijk onmogelijk maken? Autonomie gaat niet zo zeer over het elimineren van afhankelijkheden, maar over het beheersbaar maken ervan: handelingsvrijheid die ook daadwerkelijk uitvoerbaar is.
Afhankelijkheid is niet het probleem. Machteloosheid is het probleem.
Europese technologie als panacee
Vaak wordt gedacht dat meer Europese technologie, zoals clouds, AI-modellen en datacenters, leidt tot meer digitale autonomie. Maar dit is niet automatisch zo. Voor economische of geopolitieke afhankelijkheid van China en Amerika kan een Europese cloud helpen, omdat kennis, investeringen en economische waarde meer binnen Europa blijven. Maar dat is niet zwart-wit. Veel Europese cloudpartijen draaien bijvoorbeeld nog steeds op Amerikaanse chips, software, AI-modellen of infrastructuurcomponenten.
Daarbij heeft niet iedereen bij digitale autonomie hetzelfde belang. Voor Europa en ook voor Nederland als land is digitale autonomie zeker een geopolitiek en economisch vraagstuk. Maar voor individuele organisaties hoeft een Europese oplossing helemaal niet bij te dragen aan een grotere handelingsvrijheid. Voor een gemeente, zorginstelling of mkb-bedrijf kunnen schaalvoordelen, beschikbare expertise, continuïteit van dienstverlening of securitycapaciteit zwaarder wegen dan geopolitieke positionering. Een Europese oplossing kan dan in sommige situaties juist de beschikbare handelingsruimte beperken.
Digitale autonomie gaat over meer dan technologie
Als autonomie draait om het beheersbaar maken van afhankelijkheden, dan vergt het niet alleen andere technologische keuzes, maar ook andere institutionele spelregels en menselijke vaardigheden. Digitale autonomie ontstaat immers in de wisselwerking daartussen. Neem een gemeente die overstapt naar een Europese cloudleverancier. Formeel een stap richting digitale autonomie. Maar wanneer werkprocessen nog draaien op bestaande platformen, medewerkers zijn opgeleid binnen specifieke systemen en applicaties en data vastzitten in bestaande contracten, verandert vooral de leverancier. De afhankelijkheidsstructuur blijft grotendeels intact. Ook een bedrijf dat technisch kan overstappen naar Europese cloud maar contractueel vastzit, is niet autonoom. Een bedrijf dat een Amerikaanse cloud gebruikt maar binnen enkele maanden kan migreren, is dat mogelijk wel.
Wat verstaan we eigenlijk onder digitale autonomie? Gaat het om controle, keuzevrijheid of institutionele onafhankelijkheid? En voor wie geldt dat: organisaties, burgers of staten?
De kernvraag is daarom niet of Europa erin slaagt eigen technologie te ontwikkelen, maar hoe de samenhang tussen technologie, spelregels en menselijk handelen zo ingericht kan worden dat afhankelijkheden beheersbaar blijven. Dat vraagt naast technologie bijvoorbeeld om open standaarden die technische uitwisselbaarheid garanderen, contracten die dataportabiliteit afdwingen, publieke organisaties die mensen in dienst nemen om digitale expertise opbouwen, bestuurders die afhankelijkheid behandelen als strategisch risico. En om staten die investeren in technologische ecosystemen. Zonder oog voor deze samenhang blijft digitale autonomie een beleidsbegrip zonder operationele betekenis.
Dat vraagt ook om verbreding van het debat. Ingenieurs kunnen de technische voorwaarden voor interoperabiliteit ontwerpen. Juristen en economen kunnen de contractuele en marktstructuren analyseren die afhankelijkheden versterken of beperken. Maar minstens zo belangrijk is de conceptuele vraag, en dat is eigenlijk een filosofische of politieke vraag, geen technische: wat verstaan we eigenlijk onder digitale autonomie? Gaat het om controle, keuzevrijheid of institutionele onafhankelijkheid? En voor wie geldt dat: organisaties, burgers of staten? Zonder die helderheid ontstaat beleid dat wel richting autonomie beweegt, maar niet noodzakelijk ook daadwerkelijk tot meer handelingsvrijheid leidt.
De urgentie is duidelijk. Wat ontbreekt is precisie.
Plaats een reactie
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.