Elke dag, elk uur, elke minuut en elke seconde ontstaat nieuwe informatie. We noemen die informatie vaak actueel. De totale hoeveelheid informatie groeit daardoor voortdurend, terwijl de hoeveelheid informatie die werkelijk actueel is niet in hetzelfde tempo meegroeit: de hoeveelheid actuele informatie is namelijk globaal constant, terwijl het volume historische informatie continu groeit.
De obesitas van overheidsinformatie. Is er ook Ozempic?
De overheid produceert dagelijks nieuwe informatie. Diezelfde informatie is morgen alweer historisch. Die groeiende omvang mag zij niet alleen bewaren: zij moet haar actief verwerken, tijdig overbrengen naar een archief en periodiek opnieuw waarderen. Doet de overheid dat niet, dan raakt zij haar eigen geheugen kwijt. Dat is de kern van wat ik tijderosie noem. En de rode draad van dit artikel.
Tussen die twee: actuele en historische informatie, ligt een tijdreis met maar één richting. Informatie die vandaag actueel is, wordt morgen ouder en uiteindelijk historisch. Dat wordt alleen maar belangrijker nu de Wet open overheid (Woo) gereviewd wordt en de Archiefwet 1995 vervangen wordt door de Archiefwet 2026.
De Woo kijkt vooral naar het heden
Woo-verzoeken richten zich in de praktijk vaak op informatie die voor de actualiteit relevant is. De Woo kent daarom termijnen waarbinnen verzoeken moeten worden afgehandeld: informatie moet beschikbaar komen voordat haar betekenis of relevantie door de tijd verloren gaat.
Maar wat gebeurt er met informatie die niet wordt opgevraagd? Ook die verandert van betekenis. Een document dat vandaag vooral belangrijk is voor een bestuurlijke afweging, kan over twintig of vijftig jaar juist historische betekenis hebben en een fors leereffect bevatten. De Woo houdt al enigszins rekening met tijdsverloop: voor informatie ouder dan vijf jaar geldt bij bepaalde uitzonderingsgronden een zwaardere motiveringsplicht. Dat betekent niet dat die informatie automatisch openbaar wordt, wel dat het tijdsverloop nadrukkelijker moet worden meegewogen. Die eerste tijdgrens staat los van de veel langere overgang naar een archiefbewaarplaats.
De wet zegt tien jaar bewaren, de praktijk is meer dan vijftig jaar
Archiefwet
De Archiefwet 1995 had juist moeten voorkomen dat historische informatie langdurig bij de oorspronkelijke overheidsorganisatie blijft: informatie moest na twintig jaar worden overgebracht naar een archiefbewaarplaats. De Archiefwet 2026 verkort die termijn naar tien jaar. De praktijk is weerbarstiger: bij overheidsorganisaties bevinden zich nog steeds archieven die al decennia geleden hadden moeten zijn overgebracht. Mijn ervaring als historisch onderzoeker is dat dit geen incidenteel verschijnsel is, maar een structureel, niet onderkend probleem.
Dat heeft indirect ook gevolgen voor Woo-verzoeken. Een verzoek om informatie bij een overheidsonderdeel waarbij de documentdatum feitelijk al historisch, archiefbewaarplaatsoverrijp is, wordt toch behandeld binnen de oorspronkelijke organisatie als Woo-verzoek. In de praktijk wordt er dan werk verzet door die Woo-afdeling voor documenten die al bij de archiefbewaarplaats (bijvoorbeeld het Nationaal Archief, NA) hadden moeten zijn ondergebracht.
Daar komt bij: de deskundigheid over de periode waarin de informatie is ontstaan verdwijnt, en daarmee ook de beoordelingskennis. Mensen die toen besluiten namen of systemen kenden, zijn met pensioen of niet meer beschikbaar. Dat betekent een dubbele inspanning en onnodige overheidskosten.
De nieuwe Archiefwet lost de oude achterstand niet op
Op 1 januari 2027 wordt de termijn voor overbrenging verkort van twintig naar tien jaar. Voor de inzageverzoeker blijft het effect ervan wensdenken: met de nieuwe termijn wordt de bestaande achterstand de komende decennia niet weggewerkt.
De overheid staat voor een dubbele opgave: de historische achterstand wegwerken, én de toekomstige stroom binnen de nieuwe termijn verwerken — want de voorraad groeit ondertussen gewoon door.
Tijderosie
Een cryptografisch systeem dat in de jaren zestig als zeer veilig gold, kan decennia later door de groei van de beschikbare rekenkracht nauwelijks nog bescherming bieden: toen een specialistische computer, nu een modaal desktopsysteem dat minstens een miljoen keer sneller is. De informatie zelf is niet veranderd. Dat is tijderosie, en zij werkt door in alles wat ooit als geheim of gevoelig gold: een document dat ooit geheim moest blijven, zal later minder gevoelig zijn en het beveiligde bericht is in een oogwenk gebroken.
Tijderosie raakt niet alleen de betekenis van informatie, maar ook haar drager. Papier verkleurt, inkt verliest contrast. Digitalisering verplaatst het probleem: besturingssystemen worden vervangen, bestandsformaten verouderen. Digitaal archiveren is meer dan het bewaren van nullen en enen.
Ten slotte erodeert ook de context zelf. Een document kan na vijftig jaar volledig intact zijn — het papier goed bewaard, het bestand nog te openen — en toch moeilijk te begrijpen, omdat niemand meer weet wie het schreef, waarom, en welke kennis toen zo vanzelfsprekend was dat niemand de moeite nam die vast te leggen.
De historische waarde van een document kan toenemen naarmate het ouder wordt, terwijl het tegelijkertijd steeds moeilijker wordt om de betekenis ervan te reconstrueren: mensen verdwijnen, organisaties worden opgeheven of samengevoegd, functies krijgen andere namen. Ook bij gerubriceerde informatie werkt tijderosie feilloos door.
Als bescherming nog noodzakelijk is, moet bij een later inzageverzoek opnieuw worden beoordeeld of die beperking nog nodig is
Herbeoordeling blijft achterwege
Op het moment dat informatie wordt opgesteld, kan bescherming noodzakelijk zijn, omdat openbaarmaking schade kan toebrengen aan belangen van de Staat, bondgenoten of andere betrokkenen. Maar die belangen blijven niet noodzakelijk hetzelfde: technologie verandert, systemen verdwijnen, internationale verhoudingen verschuiven. Rubriceren kost veel en ook nog eens structureel geld. Herbeoordeling na de afgesproken termijn blijft vaak achterwege; de kosten lopen “gewoon” door. Een andere ervaring is dat meer dan soms het mechanisme rubricering gebruikt wordt om vrijgave structureel te voorkomen, met argumenten die zich voor een inzageverzoeker moeilijk laten verifiëren.
Er werken in de praktijk echter twee ontwikkelingen tegelijk: het belang van bescherming kan afnemen, terwijl het belang van historische kennis toeneemt. De Archiefwet houdt daar rekening mee: bij overbrenging is openbaarheid het uitgangspunt. Als bescherming nog noodzakelijk is, moet bij een later inzageverzoek opnieuw worden beoordeeld of die beperking nog nodig is. Geen reden om de archiefwet (al decennialang) niet te eerbiedigen door vele overheidsorganisatie-onderdelen.
Van theorie naar praktijk
Bij mijn onderzoek naar historische overheidsinformatie, onder meer naar telexberichtbeveiliging na de Tweede Wereldoorlog, vraag ik inzage in documenten die tientallen jaren oud zijn — en steeds opnieuw valt op hoe anders de informatiepraktijk eruitziet wanneer je niet naar de actualiteit kijkt, maar naar een geschiedenis, een tijderosie van meer dan vijftig jaar oud.
Informatie van vijftig + jaar “antiek” berust, ondanks diverse versies van de Archiefwet (1962, 1995, 2026; met overbrengingstermijn: 50, 20, 10 jaar), nog steeds bij de oorspronkelijke overheidsorganisatie. Daar moet worden gezocht naar documenten uit een periode waarin systemen, organisatiestructuren en verantwoordelijkheden allang zijn veranderd, of “verdampt”.
De praktijk voor 50+ jaar oud:
- Inzageverzoeken over historische informatie duren een factor 4 tot 16 langer dan wettelijk beoogd.
- 50 tot 80 procent, en sporadisch zelfs 100 procent, weglakken van documenten na diepgaande studie door interne overheidsdeskundigen is gebruikelijk.
- Identieke documenten worden bij verschillende overheidsbronnen sterk verschillend vrijgegeven.
Dit alles geeft aan dat het echt miszit met de beoordeling van dit soort inzageverzoeken, een onderwerp dat nog steeds niet aan de orde komt bij de evaluatie van de Woo.
De prijs van een overheid zonder geheugen
Een overheid heeft informatie nodig om de problemen van vandaag op te lossen, maar ook een geheugen om te begrijpen hoe eerdere problemen zijn aangepakt. Historische overheidsinformatie laat zien waarom besluiten ooit zijn genomen, welke alternatieven zijn overwogen en wat daarvan terechtkwam — het maakt het mogelijk terug te kijken op beleid en te onderzoeken wat werkte en wat niet en waarom of waardoor.
Het probleem ontstaat wanneer informatie over die keuzes niet meer toegankelijk is: dan wordt het moeilijker te herkennen waarom iets eerder misging en vergelijkbare fouten tijdig te signaleren. Een overheid die haar eigen verleden niet kent, kan niet leren van dat verleden.
Daarmee krijgt tijderosie een tweede betekenis: het gaat niet alleen om de groeiende hoeveelheid historische informatie, maar ook om het risico dat zij steeds moeilijker toegankelijk wordt — en daarmee om verlies van bestuurlijk geheugen.
De vraag achter de Archiefwet
De kern blijft: kan de overheid die eigen, groeiende informatiestroom ook daadwerkelijk bijhouden? Een archief is pas een geheugen als informatie vindbaar en begrijpelijk blijft voor wie haar decennia later nodig heeft.
De tijderosie stopt nooit
Iedere dag wordt nieuwe informatie geproduceerd, en iedere dag wordt een deel daarvan historisch. Informatie wordt niet alleen ouder — haar betekenis verandert, haar drager kan verouderen en haar context kan verdwijnen. Juist daarom is het belangrijk informatie op gezette tijden opnieuw te waarderen.
De “bottomline”: een Ozempic voor overheidsinformatie bestaat niet.
Wel een weegschaal, maar die is al decennia overbelast.
Maarten Oberman is auteur van het boek 'De beveiliging van overheidsberichten, de geschiedenis van de crypto-apparatuur in Nederland na WOII'.
Plaats een reactie
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.