Het idee was simpel en overtuigend: breng overheid, techbedrijven, kennisinstellingen samen in een overzichtelijke, met sensoren uitgeruste praktijkomgeving. Gebruik vervolgens mensen in hun dagelijkse doen om technologie te testen, aan te passen en breed toepasbaar te maken.
Wat is er terecht gekomen van al die Living Labs in ons land?
Toen de Smart City ontwikkelingen rond 2015 in Nederland een vlucht namen, werd de fysieke leefomgeving de nieuwe favoriete testomgeving. Straten, campussen, uitgaansgebieden en boulevards veranderden in Living Labs. Tien jaar laten maken we de balans op. Wat is er eigenlijk terecht gekomen van al die Living Labs in ons land? Wat werkte er wel en waarom bleven veel beloftes steken in een eenmalige experimenteerfase?
De praktijk bleek een stuk weerbarstiger dan de presentaties ons beloofden
Co-creatie, testen en innoveren
Living Labs moeten we in eerste instantie zien als het ultieme antwoord op de traditionele, trage beleidscultuur. In plaats van het vanuit de overheid bedenken en bepalen wat de oplossing is voor een maatschappelijk vraagstuk, werden nu de opgaven in een bepaald gebied voorgelegd aan kennispartners, de markt en aan inwoners. Zij zouden door co-creatie, testen en innoveren tot nieuwe oplossingen kunnen komen, waar de overheid in zijn eentje nooit aan had gedacht. Dit proces werd ook eigentijds gepropageerd als een “challenge”. En er waren successen. In Eindhoven werd uitgaansgeweld op het onoverzichtelijke Stratumseind in de kiem gesmoord met akoestische camera’s en het herkennen van looppatronen en slaande bewegingen. Sinaasappelgeur en bepaalde lichtpatronen moesten het humeur van het publiek verbeteren. In Assen werd geëxperimenteerd met sensoren voor parkeergeleiding door de stad. Living Lab Scheveningen sleepte in 2021 zelfs een internationale World Smart City Award in de wacht voor haar slimme, multifunctionele lichtmasten op de boulevard.
Toch bleek de praktijk een stuk weerbarstiger dan de presentaties ons beloofden. Achter het enthousiasme van een ‘duizend bloemen bloeien’-aanpak en een ‘speeltuin voor technologie’ kwamen na verloop van tijd drie hardnekkige kwalen aan het licht: technology-push, gebrek aan opschaling, en niet te vergeten ethische vragen.
Oplossing zoekt probleem
De eerste kwaal van de Living Labs was die van het klassieke “aanbod zoekt vraag”, oftewel de technology-push. Veel Living Labs begonnen niet bij een urgent probleem van de buurtbewoners of de gebruikers van het gebied, maar bij een nieuwe, handige technologische oplossing. Een camera met loopherkenning, een afvalbak met vulmeter of een nieuwe parkeersensor moesten een probleem oplossen, wat er in de realiteit niet echt was. Het gevolg was een speeltuineffect: nuttig als testomgeving voor leveranciers van oplossingen, maar weinig toegevoegde maatschappelijke waarde.
Het bleek extreem lastig om een geslaagde proefopstelling te transformeren naar gemeentelijk beleid voor de hele stad, laat staan een landelijke uitrol
Transformeren naar gemeentelijk beleid
De tweede kwaal is het gebrek aan opschaling. Living Labs zijn doorgaans tijdelijk, vaak gefinancierd met eenmalige innovatiesubsidies vanuit het Rijk of Europa. Loopt de financiering af, dan stopt ook het Living Lab. Het bleek extreem lastig om een geslaagde proefopstelling te transformeren naar gemeentelijk beleid voor de hele stad, laat staan een landelijke uitrol. Vaak waren Living Labs een soort fremdkörper binnen gemeentelijke organisaties, en wisten reguliere afdelingen in de lijn en inkoop zich vaak geen raad met de opbrengsten van de innovatie. De oplossingen sloten niet aan op bestaande IT-infrastructuren, de onderhoudskosten vielen buiten reguliere begrotingsprocessen, en aanbestedingsregels maakten het vrijwel onmogelijk om met de startup op grotere schaal door te gaan.
Fundamentele vragen over de openbare ruimte
Ten slotte was er het ethische en juridische moeras. In de beginjaren was het enthousiasme over dataverzameling groot, maar het bewustzijn over privacy en digitale grondrechten gering.
Naarmate de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) haar intrede deed en burgers mondiger werden, veranderde de perceptie van het Living Lab. De straat als 'neutrale testomgeving' bleek helemaal niet neutraal. Het constant monitoren van gedrag, geluid en beweging riep fundamentele vragen op over het gevaar van Big Brother in de openbare ruimte.
Is de straat nog wel van de burger als elke vierkante meter wordt getraceerd door sensoren van private bedrijven? Veel projecten liepen vast omdat de juridische kaders ontbraken en de publieke opinie kantelde. Ook angst voor mogelijke boetes van de Autoriteit Persoonsgegevens speelde mee.
Een Living Lab is geen technisch laboratorium in de buitenlucht, maar een sociaal leerproces
Van technologie naar systeemtransitie
Betekent dit dat tien jaar Living Labs als een mislukt experiment gezien moet worden? Zeker niet. Het afgelopen decennium heeft ons een cruciale les geleerd: een Living Lab is geen technisch laboratorium in de buitenlucht, maar een sociaal leerproces. Toegevoegde waarde ontstaat niet als technologie het vertrekpunt is. Het maatschappelijke probleem moet vooropstaan.
Tegelijkertijd is ook duidelijk dat de individuele stad in Nederland te klein, te eigenzinnig en te bureaucratisch is als platform voor innovatie. Dit bemoeilijkt echte systeemtransities, zoals die nodig zijn op het gebied van klimaat, energie, stikstof en woningbouw. De volgende fase van innovatie zou meer missiegedreven en programmatisch van aanpak moeten zijn. Experimenten in een stad of dorp vinden in dat geval alleen plaats binnen een groter overkoepelend kader, nationaal of regionaal. Lerend vermogen wordt georganiseerd door nadrukkelijk kennispartners te betrekken. Het living lab wordt op die manier vooral een Learning Lab, dat bijdraagt aan kennis die echt noodzakelijk is.
Plaats een reactie
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.
Herkenbaar en niet voor niets waarschuwden hoogleraren Guus Berkhout en Wim de Ridder al in 2008 voor PRECIES deze fouten in in hun boek "Vooruitzien is Regeren" (https://www.managementboek.nl/boek/9789043016995/vooruitzien-is-regeren-guus-berkhout). Het is veel verstandiger om ELK overheidsvraagstuk eerst te mappen op een Data Space Referentie Architectuur model als IDS-RAM en de richtlijnen van https://www.sitra.fi/en/publications/rulebook-for-a-fair-data-economy/#1-1-why-and-when-you-should-use-a-rulebook-for-data-sharing te volgen.
Iteratieve ontwikkeling en integratie van technologieën binnen bestaande structuren, maar by default data- en context centrisch binnen waarde ecosystemen en NIET een beetje hobbyen met half begrepen tech zonder een breed ondervonden probleem op te lossen. Niet zo gek dat dat niet schaalt of misschien zelfs niet eens ingekocht mag worden. Berkhouts "Cyclisch Innovatie Model" biedt een iteratief kader dat continue feedback en aanpassing stimuleert. Super effectief in omgevingen met complexe beleidsuitdagingen, zoals de Rijksoverheid, waar de mensen die dingen willen niet degenen zijn die de oplossing gaan gebruiken, noch betalen, noch hoeven te installeren en onderhouden. Binnen de Staat worden beslissingen genomen binnen beperkingen, dus zonder pragmatisme redt je het nooit. Je moet nu eenmaal roeien met de riemen die je hebt. Er is geen Green Field. Juist door gebruik te maken van frameworks, zoals IDS-RAM, dat standaardisatie en interoperabiliteit bevordert, kunnen succesvolle innovaties veel makkelijker op grotere schaal worden toegepast. Dus eerder Reality Pull dan Techno Push en met holistische aandacht op ALLE aspecten vanaf het begin. Ook stoppen met denken in Systeemtransities. ALLES is data geworden: geld (DeFi), energie (VPP tokens), contracten (Smart Contracts), teksten, processen, spullen (merk, versie, variant, locatie etc.) en bemensing. Die data is van jou of niet, je gaat erover of niet en je kunt erbij of niet. De tech is het probleem niet.